201601491/1/R2

Betreft Varkenshouderij Saasveld
Datum uitspraak 18-10-2017
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden intensieve veehouderij, relativiteitsvereiste, plan-m.e.r., varkenshouderij, Natuurbeschermingswet
Bronnen vindplaats

ECLI:NL:RVS:2017:2819

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Het is redelijk om de natuurbeschermingswetvergunning en het bestemmingsplan niet samen voor te bereiden, als de m.e.r.-procedure voor het bestemmingsplan ertoe kan leiden dat de natuurbeschermingswetvergunning moet worden aangepast of (gedeeltelijk) niet kan worden gebruikt.

  • Het feit dat beide procedures samen (‘gecoördineerd’) kunnen worden voorbereid, betekent niet dat appellanten een beroep kunnen doen op normen uit de Natuurbeschermingswet 1998 die niet hun belangen beschermen.

Casus

Op 18 september 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel een natuurbeschermingswetvergunning verleend voor een varkenshouderij voor ruim 8.000 varkens, verdeeld over drie stallen, op een perceel in Saasveld.

Relativiteit
Appellanten voeren aan dat de vergunning ten onrechte niet samen met (‘gecoördineerd’) de m.e.r.-procedure is voorbereid, zodat ze toch als belanghebbenden moeten worden aangemerkt.

Coördinatie
Andere appellanten voeren aan dat ten onrechte geen coördinatie ingevolge artikel 19ka Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) heeft plaatsgevonden. Voor de nieuwe varkenshouderij moet het bestemmingsplan worden gewijzigd en een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Het college heeft volgens hen ten onrechte de vergunning verleend vooruitlopend op de uitkomsten van de m.e.r.-procedure. Op die manier wordt een voldongen feit gecreëerd.

Het college brengt hier tegen in dat het toepassen van artikel 19ka Nbw 1998 een bevoegdheid is en geen verplichting. Van een voldongen feit is volgens het college geen sprake omdat nog andere toestemmingen nodig zijn.

Overwegingen van de bestuursrechter

Relativiteit
Voor appellanten die op een afstand van meer dan 1,5 kilometer van het Natura 2000-gebied Lemselermaten wonen, maakt dat gebied geen onderdeel uit van hun directe leefomgeving. Daarom is het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving niet verweven met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen. De Afdeling oordeelt dat het feit dat de m.e.r.-procedure met de natuurbeschermingswetvergunning gecoördineerd kán worden, niet betekent dat appellanten een beroep kunnen doen op normen die niet hun belangen beschermen.

Coördinatie
De Afdeling overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1063, dat het college beleidsruimte toekomt bij de beslissing om al dan niet te coördineren. In dit geval vindt de Afdeling het redelijk dat het college niet heeft gecoördineerd, omdat nog andere toestemmingen nodig zijn en dat de uitkomst van de m.e.r.-procedure er toe kan leiden dat geheel of gedeeltelijk geen gebruik mag worden gemaakt van de Nbw 1998-vergunning of dat deze aangepast moet worden.

Uitspraak
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.