Verlenging NSL en de consequenties voor MER

In december 2013 nam de minister het besluit het NSL te verlengen tot januari 2017. Daarnaast is de Monitoringsrapportage 2012 gepubliceerd. De verlenging van het NSL betekent dat de systematiek van programmatoetsing wordt voortgezet met als doel te voldoen aan de grenswaarden voor fijn stof in 2011 en NO2 in 2015. De meest recente monitoring laat echter op een aantal plekken nog steeds overschrijdingen zien. Dat betekent extra aandacht voor de toetsing van luchtkwaliteit bij MER-projecten die in gebieden met knelpunten liggen.

 

Verlenging NSL
De looptijd van het NSL is verlengd tot januari 2017. Dit betekent dat tot die tijd projecten zich kunnen beroepen op het halen van de norm via de programmatoetsing van het NSL. Het betekent niet dat de derogatie (het moment waarop aan de grenswaarden moet zijn voldaan) is verlengd. De grenswaarden moeten nog steeds zijn behaald in 2011 voor PM10 en op 1 januari 2015 voor NO2.
Op basis van de verlenging is het mogelijk tot en met 2016 te monitoren of de grenswaarden worden behaald. Ook is het tot die tijd mogelijk om projecten en maatregelen onder het NSL uit te blijven voeren.

 

Monitoringsrapportage 2012
De montoringsrapportage toont de ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Conclusie is dat in 2011 de grenswaarden voor PM10 nog niet zijn gehaald en dat voor NO2 in 2015 de grenswaarden ook nog niet zullen worden gehaald.

 

Fijn stof (PM10) grenswaarde niet gehaald in 2011
Voor fijn stof zijn de overschrijdingen vooral bij intensieve veehouderijen en industrie. Het gaat dan om de intensieve veehouderij in Noord-Limburg, Oost-Brabant en West-Gelderland en het IJmond gebied met Zeehaven IJmuiden en Tata Steel. Consequentie is dat in deze gebieden sinds maart 2013 geen gebruik meer mag worden gemaakt van de NIBM Regeling.

 

NO2 grenswaarde wordt niet gehaald in 2015
De berekeningen laten in 2015 overschrijdingen zien voor NO2 langs binnenstedelijke wegen (circa13 km). Dit is een toename van het aantal knelpunten en verslechtering van de bestaande knelpunten vergeleken met2011. In veel steden liggen de concentraties net onder de grenswaarde, zodat een lichte toename in de toekomst snel kan leiden tot extra knelpunten.
Potentiële knelpunten zijn er in Rotterdam, Amsterdam, Utrecht, Arnhem, Eindhoven en Den Haag. Deze steden hebben alle maatregelen verkend die in hun locale omstandigheden effectief zijn en zullen extra maatregelen nemen.

 

Conclusie voor m.e.r.-toetsing
Bij toetsing van MER’en in gebieden met knelpunten moet worden aangetoond dat aan de grenswaarden wordt voldaan. Indien niet via het NSL of met behulp van de monitoringstool kan worden aangetoond dat in 2011 (fijn stof), 2015 (NO2) en in de jaren daarna, aan de grenswaarden kan worden voldaan, dan moet het MER aanvullende maatregelen beschrijven om aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit te voldoen en het project te onderbouwen.

  

Vergelijking van alternatieven
Om in het MER alternatieven onderling en met de referentiesituatie te vergelijken adviseert de Commissie inzicht te geven in de effecten op de luchtconcentraties van fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2).

  • De verschillen tussen de alternatieven moeten duidelijk zijn.
  • Maak ook de effecten onder de wettelijke grenswaarden inzichtelijk. Onder de grenswaarden kunnen ook gezondheidseffecten optreden. Gebruik hiervoor berekeningen die voldoen aan de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit.
  • Presenteer zo mogelijk de resultaten zo mogelijk op verschilcontourenkaarten met topografische ondergrond. Hiermee worden de effecten van een initiatief inzichtelijk voor omwonenden.

Als er sprake is van relatief grote groepen 'blootgestelden' en relatief grote gevolgen voor de luchtkwaliteit, adviseert de Commissie ook de consequentise voor de volksgezondheid in beeld te brengen. Doe dit op basis van bestaande dosiseffectrelaties. Laat zien welke alternatieven en mitigerende maatregelen mogelijk zijn.

 

Toetsing aan wettelijke eisen
Het NSL heeft betrekking op de zogenaamde:

  • in betekende mate-projecten (IBM). Deze verslechteren de luchtkwaliteit met meer dan 3% van de grenswaarde en zijn met  naam en projectkenmerken opgenomen in het NSL. Deze projecten kunnen doorgaan als er voorzien in in compenserende maatregelen.
    Als projecten die in het NSL zijn opgenomen worden gewijzigd, geef dan aan hoe dit via de meldingsprocedure (art. 5.12, twaalfde lid) is uitgewerkt.
  • niet in betekende mate-projecten (NIBM). Deze zijn ook in het NSL opgenomen. Deze projecten verslechteren de luchtkwaliteit met minder dan 3% van de grenswaarde. In het MER moet aannemelijk worden gemaakt dat de toename van de concentraties PM10  en NO2 minder dan 3% is. Betrek hierbij ook de anti-cumulatiebepaling.

De achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2 ) worden opgenomen in de monitoringstool. Deze tool berekent de totale bijdrage van projecten en maatregelen aan de luchtkwaliteit en vormt het ‘rekenhart’ van het NSL.

De Commissie vraagt in het MER duidelijk aan te geven of en hoe een project is opgenomen in het NSL. Geef daarbij de volgende projectkenmerken:

  • ligging (coördinaten);
  • omvang (aantal woningen, hectaren of vloeroppervlak);
  • verkeersaantrekkende werking.