Welke stappen uit het archeologisch stappenplan zijn relevant voor m.e.r.?

Het archeologisch stappenplan maakt duidelijk uit welke stappen archeologisch onderzoek bestaat.

1. Bureauonderzoek
Dit is voor bijna iedere m.e.r. aan de orde. Soms kan het bureauonderzoek heel kort zijn. Bijvoorbeeld als al snel blijkt dat er geen archeologie te verwachten is. Geef dan wel aan in het MER waarom dit het geval is.

2a. Inventariserend veldonderzoek (IVO), karterende fase
In deze fase wordt in kaart gebracht of en waar vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. Vaak gaat dit door middel van booronderzoek. Het is nodig een IVO uit te voeren als:

  • Er aanwijzingen zijn dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.
  • De aanwezigheid van vindplaatsen relevant is voor het besluit.

Wanneer er voor een m.e.r. veel verschillende (tracé)alternatieven in beeld zijn voert het meestal te ver om voor alle varianten een IVO uit te voeren. Wanneer het gaat om enkele varianten kan de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen wel degelijk relevant zijn voor het besluit.


2b. Inventariserend Veldonderzoek (IVO), waarderende fase

In deze fase wordt vastgesteld wat de omvang en begrenzing van vindplaatsen is en hoe archeologisch waardevol ze zijn. Over het algemeen geldt: wanneer voor de m.e.r. een karterend IVO relevant is, is er ook een waarderend IVO nodig. Pas als bekend is waar vindplaatsen precies liggen en hoe waardevol ze zijn, kan immers bepaald worden welke effecten een voornemen heeft op deze vindplaatsen.


3. Opgraven of archeologisch vervolgonderzoek
Deze fase is niet relevant voor m.e.r. M.e.r. dient immers als hulpmiddel bij de besluitvorming over een voornemen. Bij deze besluitvorming komt ook het eventueel opgraven van een vindplaats aan de orde. Dit is dus pas na afronding van een m.e.r.