16_3877

Betreft Mestverwerkingsinstallatie Oss
Datum uitspraak 29-08-2017
Rechtsprekende instantie  Rechtbank
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden intensieve veehouderij, mestverwerking, Oss, afvalverwerkingsinstallaties, m.e.r.-beoordeling, installaties

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Als de afstand tussen twee inrichtingen ca. 750 meter bedraagt en er enkele andere bedrijven tussen liggen, is sprake van twee afzonderlijke inrichtingen.

  • Mest is geen gevaarlijke afvalstof en bij mestverwerking vindt geen chemische omzetting plaats.

  • Een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet in de eerste fase van de ontwerp-omgevingsvergunning genomen worden.

  • Een overzichtelijke en transparante besluitvorming met een voorafgaand m.e.r.-beoordelingsbesluit draagt bij aan het wegnemen van maatschappelijke onrust.

Casus

Op 15 november 2106 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant een vergunning eerste fase voor de activiteit milieu verleend voor onder andere een biomassa- en energiecentrale (BMEC) op locatie T2. In een nieuw op te richten gebouw mag ca. 500.000 ton ruwe drijfmest per jaar worden verwerkt tot gecomposteerde vaste mest.
Bij de aanvraag voor de tweede fase vergunning voor de bouw van de mestverwerkingsinstallatie is een m.e.r.-beoordelingsnotitie gevoegd. GS hebben besloten over de m.e.r.-beoordelingsnotitie maar nog niet over de vergunning tweede fase.
Vergunninghoudster heeft daarnaast op locatie T1 een containeronderhoud- en overslagbedrijf en beschikt over een braakliggend terrein tussen locatie T1 en T2. De afstand tussen T1 en T2 bedraagt ongeveer 750 meter.

 

M.e.r.-(beoordelings)plicht
Appellanten voeren aan dat het project m.e.r-plichtig is omdat mest een gevaarlijke afvalstof is. Zij wijzen in dat verband op categorie C18.2, C18.4 en C21.6 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
Secundair voeren zij aan dat voorafgaand aan het te nemen besluit een m.e.r.-beoordeling had moeten worden opgesteld.
GS menen dat mest geen gevaarlijke afvalstof is en dat in het proces van mestverwerking geen chemische omzetting plaatsvindt, omdat de chemische eigenschappen van de stoffen niet veranderen. GS menen verder onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2535) dat het ook mogelijk is om een m.e.r.-beoordeling te doen na het verlenen van de vergunning eerste fase. GS willen het m.e.r.-beoordelingsbesluit gelijktijdig met de ontwerp-vergunning tweede fase ter visie te leggen.

 

Eén inrichting
Sommige appellanten menen verder dat GS er ten onrechte van zijn uitgegaan dat de BMEC en de bijbehorende op- en overslag op locatie T2 één inrichting vormen. Volgens hen zijn er onvoldoende bindingen tussen de mestverwerkingsinstallatie en de andere activiteiten. De mestverwerkings-installatie is ook fysiek en functioneel gescheiden van de andere activiteiten.
Volgens GS is sprake van organisatorische binding door middel van een huurovereenkomst en vindt uitwisseling van personeel en transportmiddelen plaats. Sommige gebouwen en het riool worden gezamenlijk gebruikt.
Volgens andere appellanten vormen juist de locaties T1 en T2 één inrichting en gaat de aanvraag en het besluit ten onrechte alleen uit van locatie T2.

 

Overwegingen van de bestuursrechter

M.e.r.-(beoordelings)plicht
De rechtbank overweegt dat het in categorie C21.6 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. gaat om de oprichting van een geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van organische basischemicaliën.
De mestverwerkingsinstallatie is naar het oordeel van de rechtbank geen geïntegreerde chemische installatie. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4974). In het aangevraagde productieproces wijzigt de samenstelling van de betrokken stoffen niet maar vindt slechts een mechanische scheiding van mest plaats. In de verdampingsfase wordt ammoniumsulfaat gevormd door het toevoegen van zwavelzuur aan de ammoniak in de waterdamp. Dat maakt volgens de rechtbank nog niet dat sprake is van een geïntegreerde chemische installatie waar op industriële schaal door omzetting stoffen worden gevormd. Evenmin is sprake van chemische behandeling als bedoeld in categorie C18.4 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De rechtbank volgt daarbij de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3057) over een soortgelijke mestverwerkingsinstallatie.


Partijen zijn het er wel over eens dat mest een afvalstof is en dat een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten dat GS de intentie hadden om de vergunning eerste fase aan te vullen, in te trekken of te wijzigen. Uit de door GS genoemde uitspraak van de Afdeling kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat een m.e.r.-beoordelingsbesluit alsnog kan worden genomen na het nemen van het betrokken besluit. Dit is in strijd met de Wet milieubeheer, de Richtlijn industriële emissies en gaat voorbij aan de bedoeling van een m.e.r.-beoordeling. Soms kan een m.e.r.-beoordeling achteraf echter aanleiding zijn om het bestreden besluit niet te vernietigen of de rechtsgevolgen in stand te laten.

 

Eén inrichting
De rechtbank oordeelt dat voldoende technische en functionele bindingen op locatie T2 aanwezig zijn om van één inrichting te spreken. Bovendien liggen de installaties in elkaars nabijheid.
De afstand van ongeveer 750 meter tussen locatie T1 en T2 is te groot om van één inrichting te kunnen spreken. Daarbij komt dat er andere bedrijven tussen liggen.
De rechtbank overweegt dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt en dat mede gelet op de maatschappelijke onrust geen aanleiding is om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Een transparante en overzichtelijke besluitvorming met een voorafgaand m.e.r.-beoordelingsbesluit kan maatschappelijke onrust wegnemen.

 

Uitspraak
De rechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en stelt het college in de gelegenheid om binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen (waarbij de uitgebreide voorbereidingsprocedure achterwege kan blijven).

Documentatie