Wabo

Wabo en milieueffectrapportage

Een omgevingsvergunning kan betrekking hebben op een of meer activiteiten genoemd in artikel 2.1, eerste lid, of artikel 2.2 van de Wabo. Met een omgevingsvergunning kan bijvoorbeeld worden afgeweken van een bestemmingsplan (of een beheersverordening). Als het gaat om een omgevingsvergunning waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en één of meer artikelen van afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn, kan het gaan om een besluit dat in kolom 4 van Bijlage C of D bij het Besluit m.e.r. en dus een project-m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit.

 

Per 1 november 2014 is de tijdelijke planologische afwijking vervallen als afzonderlijke figuur (artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo is vervallen). De tijdelijke afwijking tot maximaal 10 jaar is nu toegevoegd aan de kruimelgevallenlijst van artikel 4, Bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht. Deze kruimelgevallenregeling is echter niet van toepassing als het een geval betreft dat ook in bijlage C of D van het Besluit m.e.r. is vermeld (een besluit waarop afdeling 3.4 Awb en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing is). Dat is geregeld in artikel 5, Bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht. Dat betekent dat op deze omgevingsvergunning niet de reguliere Wabo-procedure maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Ook de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘tijdelijke afwijking voor maximaal 10 jaar’ kan dus project-m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn.

 

Het voormalige ‘projectbesluit’ als bedoeld in artikel 3.10 Wro (oud), is opgenomen in de definitiebepalingen van Onderdeel A, lid 1, onder ‘plan’, sub e van het Besluit m.e.r. Indien in kolom 4 vermeld, wordt namelijk onder ‘plan’ volgens die definitie namelijk mede verstaan het projectafwijkingsbesluit als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo. Ook deze omgevingsvergunningen kunnen daarom project-m.e.r.-plichtig zijn. Plan-m.e.r. is hiervoor niet aan de orde, behoudens in combinatie met een plan als bedoeld in kolom 3 van het Besluit m.e.r.
Het m.e.r.-plichtige besluit kan ook een omgevingsvergunning met de ‘aangehaakte’ Nbwet-vergunning of Ffw-ontheffing betreffen.

 

Voor de vraag waar het milieueffectrapport over moet gaan, is van belang te weten waar het te nemen m.e.r.-plichtige besluit over gaat. Voor de afwijking van het bestemmingsplan moet eventueel locatiealternatieven worden beschreven of een onderbouwing van de locatiekeuze. Voor de toestemming op grond van de Nbwet zal vaak een passende beoordeling nodig zijn. Of de omgevingsvergunning ook bijvoorbeeld de activiteit ‘bouwen’of ‘kappen’ bevat, is voor de inhoud van het MER voor de omgevingsvergunning niet of nauwelijks relevant.

 

Gefaseerde vergunningverlening
De omgevingsvergunning kan in twee fasen worden aangevraagd. Beide fasen vormen samen de omgevingsvergunning. Artikel 4.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht regelt dat als voor een omgevingsvergunning een MER moet worden opgesteld, dit MER moet worden ingediend bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor fase 1. Het ligt daarom voor de hand ook de m.e.r.-beoordeling in fase 1 van de omgevingsvergunning te doen. 

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                    Onlosmakelijke samenhang
Op grond van artikel 2.7 van de Wabo dient de aanvraag voor de omgevingsvergunning betrekking te hebben op alle onlosmakelijk verbonden activiteiten. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 oktober 2014 blijkt dat de vormvrije m.e.r.(beoordelings)plicht ook gekoppeld zijn aan de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’, als die activiteit ziet op een activiteit die op de D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is vermeld.  De aanvraag voor de omgevingsvergunning moet dan ook betrekking hebben op de milieu-activiteit.
Omgevingsvergunning beperkte milieutoets

 

In het geval dat een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die normaal gesproken onder het Activiteitenbesluit vallen, bijvoorbeeld windturbineparken of motorrevisiebedrijven, kan het nodig zijn om een omgevingsvergunning aan te vragen. Met andere woorden, een activiteit valt dan niet automatisch onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Zie artikel 2.2a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht.

 

De omgevingsvergunning kent wel slechts een beperkte toets en er kunnen geen voorschriften aan verbonden worden. Daarom wordt deze vergunning in de Wabo de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (Obm) genoemd.

 

In een uitspraak over Milieuvergunning Ecofactorij te Apeldoorn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2012 wordt het systeem uitgelegd.

Informatieblad Wabo en Activiteitenbesluit schetst de verhouding tussen het Activiteitenbesluit en de Wabo en geeft uitleg over de raakvlakken.

Meer informatie over de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) bij InfoMil.