Thema Cultuurhistorie

Veelgestelde vragen

Waarom cultuurhistorie in een milieueffectrapport?

In de Europese richtlijnen voor milieueffectrapportage en in de Wet milieubeheer worden het cultureel erfgoed respectievelijk cultuurhistorische waarden expliciet genoemd als onderdeel bij de definitie van het begrip milieu. Bij de effecten op het milieu moeten dus ook effecten op cultuurhistorie worden beschreven. 

 

Hoe gedetailleerd moet cultuurhistorie in een milieueffectrapport worden beschreven?

Dit hangt af van:

  • De aanwezigheid van cultuurhistorische waarden.
  • De waarde van het aanwezige landschappelijk, archeologisch of gebouwd erfgoed.
  • De voorgenomen activiteit; wat is het karakter van een activiteit (is er sprake van een grote ruimtelijke ingreep of niet) en hoe concreet is de activiteit.


Het is vooral bij inrichtingsprojecten nodig om informatie te geven over:

  • Wat er aanwezig is.
  • Wat de waarde (status) is.

Voor archeologie betekent dit soms dat het archeologisch stappenplan gevolgd moet worden tot en met fase 2b, de waarderende fase.

 

Is archeologisch onderzoek nodig voor een milieueffectrapport?

Dat hangt af van de ingreep, de ondergrond en de archeologie. Een aantal vragen die hierbij gesteld kunnen worden:

  1. Vinden er bodemingrepen plaats?
    Als er niet wordt gegraven zijn er (meestal) geen effecten op archeologie. Er hoeft dan geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd in het kader van m.e.r.

  2. Wordt er gegraven of gebouwd in opgehoogde grond?
    Activiteiten in of op opgehoogde grond gaan soms dieper dan de ophoging en kunnen daardoor alsnog effecten hebben op archeologische waarden. Een spitsstrook die op een bestaand grondlichaam wordt aangelegd heeft geen effecten op het bodemarchief. Licht gefundeerde bouwwerken op een ophooglaag soms ook niet. In deze gevallen hoeft er geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd voor de m.e.r. Voor zwaardere gebouwen is echter vaak een fundering nodig die door de ophooglaag heen gaat en mogelijk wel effect kan hebben op archeologische waarden. In dat geval is er wel archeologisch onderzoek nodig in het kader van de m.e.r.

3. Wat zegt de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) of
    andere verwachtingskaarten?
   
De IKAW kan gebruikt worden bij het bepalen of er wel of niet
    archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Verwachtingskaarten
    hebben echter wel hun beperkingen. Dat geldt zeker voor de IKAW, die
    gemaakt is voor een globaal niveau. Veel provincies en gemeenten hebben
    een meer gedetailleerde kaart met verwachtingswaarden. Deze zijn
    recenter en beter geschikt dan de IKAW.

 

4. Vinden er ingrepen plaats die effecten kunnen hebben op grondwater?
    Onder het grondwater, afgesloten van zuurstof, blijven organische
    materialen bewaard. Wanneer de grondwaterspiegel verlaagd wordt,
    komen deze materialen in contact met zuurstof en gaan oxideren.
    Mogelijke aantasting is het gevolg. Door effecten op de grondwaterspiegel
    kunnen er dus ook effecten zijn op archeologische waarden zonder dat er
    direct in de bodem wordt ingegrepen.

 

5. Is de locatie al bebouwd (geweest)?
   
Als ergens al een gebouw heeft gestaan betekent dat vaak dat er geen
    archeologische waarden meer aanwezig zijn. Het hangt echter wel af van
    het soort bebouwing. Waar een zwaar gefundeerd flatgebouw met diepe
    parkeergarage heeft gestaan zijn geen vindplaatsen meer te verwachten. 
    Maar onder lichter gefundeerde bouwwerken kan wel degelijk nog
    archeologie aanwezig zijn. Bekend zijn de wijken uit de jaren vijftig van de 
    twintigste eeuw die werden aangelegd op opgehoogde grond. In de
    Rotterdamse regio blijken onder deze ophogingslagen oude plattegronden
    van complete prehistorische nederzettingen bewaard te zijn gebleven. 

 

Welke stappen uit het archeologisch stappenplan zijn relevant voor m.e.r.?

Het archeologisch stappenplan maakt duidelijk uit welke stappen archeologisch onderzoek bestaat.

1. Bureauonderzoek
Dit is voor bijna iedere m.e.r. aan de orde. Soms kan het bureauonderzoek heel kort zijn. Bijvoorbeeld als al snel blijkt dat er geen archeologie te verwachten is. Geef dan wel aan in het MER waarom dit het geval is.

2a. Inventariserend veldonderzoek (IVO), karterende fase
In deze fase wordt in kaart gebracht of en waar vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. Vaak gaat dit door middel van booronderzoek. Het is nodig een IVO uit te voeren als:

  • Er aanwijzingen zijn dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.
  • De aanwezigheid van vindplaatsen relevant is voor het besluit.

Wanneer er voor een m.e.r. veel verschillende (tracé)alternatieven in beeld zijn voert het meestal te ver om voor alle varianten een IVO uit te voeren. Wanneer het gaat om enkele varianten kan de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen wel degelijk relevant zijn voor het besluit.


2b. Inventariserend Veldonderzoek (IVO), waarderende fase

In deze fase wordt vastgesteld wat de omvang en begrenzing van vindplaatsen is en hoe archeologisch waardevol ze zijn. Over het algemeen geldt: wanneer voor de m.e.r. een karterend IVO relevant is, is er ook een waarderend IVO nodig. Pas als bekend is waar vindplaatsen precies liggen en hoe waardevol ze zijn, kan immers bepaald worden welke effecten een voornemen heeft op deze vindplaatsen.


3. Opgraven of archeologisch vervolgonderzoek
Deze fase is niet relevant voor m.e.r. M.e.r. dient immers als hulpmiddel bij de besluitvorming over een voornemen. Bij deze besluitvorming komt ook het eventueel opgraven van een vindplaats aan de orde. Dit is dus pas na afronding van een m.e.r.

 

Wat beschrijft een MER over gebouwd erfgoed?

Het milieueffectrapport beschrijft:

  • Welk gebouwd erfgoed in het plangebied aanwezig is.
  • De waarde
  • Welke gevolgen er zijn door de voorgenomen activiteit.


Aandachtspunten zijn:

  • Ook ingrepen in de omgeving van een monument kunnen afbreuk doen aan de waarde (ensemble- of contextwaarde).
  • Ook niet-beschermde elementen kunnen een cultuurhistorische waarde hebben.
  • Landschappelijke waarde kan ook uit andere aspecten dan cultuurhistorische warde voortkomen.

 

Hoe bepaal ik de waarde van cultuurhistorische elementen?

De waarde van het element dat het effect ondervindt is belangrijk. Erfgoed kan status hebben door beleid of regelgeving, bijvoorbeeld:

  • Een gebouw dat beschermd is volgens de Monumentenwet.
  • Een ‘beeldbepalend pand’ volgens gemeentelijk beleid.
  • Een verkaveling die als ‘waardevol’ is gekarakteriseerd in provinciaal beleid.

Dat zijn waardevaste elementen. Maar ook elementen die geen dergelijke status hebben kunnen waardevol zijn.


De Handreiking cultuurhistorie in m.e.r. en MKBA gaat uit van drie kwaliteiten om de waarde te bepalen:

  • Beleefde kwaliteit
  • Fysieke kwaliteit
  • Inhoudelijke kwaliteit
  • (en voor archeologie nog de ‘verwachte kwaliteit’)

Bij de verschillende kwaliteiten horen waarderingscriteria als

  • Zichtbaarheid
  • Gaafheid
  • Geconserveerdheid
  • Informatiewaarde
  • Zeldzaamheid etc.