Thema Landschap

Veelgestelde vragen

Moet landschap altijd in een MER aan bod komen?

Nee. Beoordeel eerst of er mogelijk aanzienlijke gevolgen te verwachten zijn voor het landschap. Is dit het geval, beschrijf dan die gevolgen in het milieueffectrapport. Van aanzienlijke gevolgen is bijvoorbeeld sprake als er een nieuw bedrijventerrein wordt aangelegd in het buitengebied. Maar niet als er een aantal nieuwe fabriekshallen bijkomen in een bestaand bedrijventerrein. Dan is er namelijk geen sprake van een aanzienlijk milieueffect. Motiveer wel altijd waarom gevolgen voor landschap niet aanzienlijk zijn.

 

Welke definitie van landschap hanteert de Commissie?

Landschap wordt in de Europese landschapsconventie gedefinieerd als: ‘Een gebied zoals dat door mensen wordt waargenomen en waarvan het karakter bepaald wordt door natuurlijke en/of menselijke factoren en de interactie daartussen.’
Dit betekent dat landschap op zowel het buitengebied als op stedelijke gebieden betrekking kan hebben. De Commissie hanteert deze definitie ook.

 

Hoe verhoudt landschap zich tot andere milieuthema's?

De beoordeling van effecten op het landschap kan overlappen met de beoordeling van effecten op bodem en natuur. Voor deze onderwerpen geldt dat het waarneembare deel ook onderdeel is van het landschap. Maar de bodemsamenstelling of het aantal plantensoorten binnen een houtwal horen weer niet bij landschap.

 

De thema’s landschap en cultuurhistorie overlappen meestal omdat vrijwel elk Nederlands landschap cultuurlandschap is. Ook gebouwde monumenten (zoals boerderijen en kastelen) en archeologische resten (zoals grafheuvels en verlaten woonterpen) maken onderdeel uit van het landschap. Daarom worden landschap en cultuurhistorie vaak samen behandeld in een MER.

 

In een enkel geval  is er geen verband tussen landschappelijke en cultuurhistorische waarden:

  • In het MER voor versterking van de Afsluitdijk werden de landschappelijke waarden van de Wadden los van de cultuurhistorische waarden van de sluiscomplexen gezien. 
  • In het MER voor de Structuurvisie Peel en Maas werden de effecten op de hoge archeologische verwachtingswaarden in de bodem los beschreven van de effecten van het plan op het landschap.

 

Wat moet het studiegebied zijn voor landschap?

Dit zijn:

  • Het plangebied, de toegangswegen tot dat gebied en de ruimten tussen deze toegangswegen.
  • Breid het gebied uit tot waar de voorgenomen activiteiten nog waarneembaar zijn. Dat kan heel ver zijn, zoals bij het oprichten van een windturbinepark.
  • Neem belangrijke landschappelijke elementen en structuren in de omgeving in hun geheel mee.

Een voorbeeld van het laatste punt: een groot landgoed uit de 17de eeuw met een tuinencomplex wordt in één hoek doorsneden door een initiatief. Dit lijkt een kleine aantasting. Bij nadere beschouwing blijkt dat de symmetrische opzet van het landgoed hierdoor wordt aangetast. Als het landgoed niet in zijn geheel was meegenomen, zou dit onopgemerkt blijven.

 

Wanneer moet ik alternatieven beschrijven?

Of er alternatieven beschreven moeten worden in het MER, is niet met een vuistregel te bepalen. De factsheet Landschap in MER biedt met drie vragen houvast.
De alternatieven voor het landschap kunnen heel bepalend zijn voor de uiteindelijke inrichting of ontwerp dat gekozen wordt.
Bijvoorbeeld: voor het stedebouwkundig plan van een woonwijk worden er twee alternatieven uitgewerkt: Eén die de huidige kavelstructuur en openheid zoveel mogelijk intact laat, en één die uitgaat van het maximaal invullen van voorzieningen en ruimtelijke kwaliteit voor nieuwe bewoners. De keuze voor deze alternatieven is dan heel bepalend voor het stedebouwkundig plan en dus voor het beeld dat de woonwijk straks zal hebben.

 

Hoe bepaal je effecten op landschap in MER?

Hier is geen vaste methode voor. Het is belangrijk om eerst te bepalen of landschap een rol speelt voor het besluit. En zoja, welke dan. Een volgende stap is om op hoofdlijnen te bepalen welke gebiedstypen in het plangebied voorkomen en welke landschappelijke waarden daarin voorkomen. Het kan gaan om fysieke waarden, belevingswaarden en  inhoudelijke waarden. Het gemeentelijk landschapsontwikkelingsplan biedt soms aanknopingspunten. Bepaal tenslotte hoe het plan deze waarden beinvloedt.

Soms is de lagenbenadering een goede manier om effecten te bepalen. Bijvoorbeeld als er in het gebied sprake van belangrijke aardkundige waarden en natuurwaarden zijn, die door een plan beïnvloed worden.
In een ander geval kan sprake zijn van een relatief jong, rationeel aangelegd landschap, met hoge belevingswaarden. Het plan gaat grote impact hebben op de indeling of de grootte van dit gebied. Dan is wellicht een belevingsonderzoek de voornaamste methode voor het bepalen van de effecten.