Thema Uitnodigingsplanologie

Beleid en regelgeving

Wat is stedelijke ontwikkeling? Veranderend perspectief

De wijze waarop ruimtelijke plannen tot stand komen is in beweging. Waar een belangrijk deel van Nederland tot stand is gekomen via toelatingsplanologie en ontwikkelingsplanologie, wordt nu geëxperimenteerd met uitnodigingsplanologie. In deze vorm treedt de overheid vooral faciliterend op. Niet het eindbeeld maar het proces is leidend. Het gebied verandert geleidelijk over een langere termijn zonder een vast programma vooraf.

 

Omgevingswet
De Omgevingswet die naar verwachting rond 2018 in werking zal treden, beoogt beter aan te sluiten bij deze manier van planvorming. Daarnaast wordt geprobeerd invalshoeken als ruimtelijke kwaliteit en milieukwaliteit te integreren via het begrip leefomgevingskwaliteit.
Omgevingsvisies en Omgevingsplannen komen in plaats van Structuurvisies en Bestemmingsplannen.
Vooruitlopend op de Omgevingswet, vinden op basis van de uitvoeringsbesluiten bij de Crisis- en herstelwet experimenten plaats met andere manieren van werken die (indien succesvol) met de nieuwe Omgevingswet mogelijk worden gemaakt en gestimuleerd.
Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling met potentieel belangrijke milieugevolgen moet m.e.r. een zinvolle bijdrage leveren aan de kwaliteit van het besluitvormingsproces: niet alleen bij de meer traditionele wijze van planvoorbereiding, maar ook bij uitnodigingsplanologie.

 

M.er.-plicht bij stedelijke ontwikkeling

Stedelijke ontwikkeling gaat bijvoorbeeld over woonwijken, kantoorgebieden, industrieterreinen en gebouwde recreatieve voorzieningen.

Deze activiteiten staan in het Besluit m.e.r. genoemd onder de categorieën D11.2, D11.3 en (onderdelen van D10).
Een stedelijk ontwikkelingsproject hoeft niet persé in een stad te liggen. De omvang is bepalend, niet de omgeving.

 

Wanneer geldt er een plan-m.e.r.-plicht?

  • Kolom 3 van het Besluit m.e.r. geeft aan voor welk type plannen een plan-m.e.r.-procedure geldt. Vaak gaat het om structuurvisies. Maar ook bestemmingsplannen en inpassingsplannen kunnen plan-m.e.r.-plichtig zijn. Dat is het geval als bestemmingsplannen nog verder uitgewerkt worden of omdat het plan kaders stelt voor een vergunning.
  • Als de activiteiten in het plan kunnen leiden tot significante gevolgen voor Natura2000-gebieden en er een passende beoordeling nodig is.

 

Wanneer geldt er een project-m.e.r.-plicht?

  • Als het plan activiteiten bestemt, genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. Bij activiteiten die genoemd staan in de D-lijst wordt met een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling bepaald of een milieueffectrapport nodig is.
  • Kolom 4 van het Besluit m.e.r. geeft aan voor welk type plannen een project-m.e.r.-procedure geldt. Vaak gaat het om bestemmingsplannen, inpassingsplannen en projectbesluiten.

Hier zit een adder onder het gras: dat is de definitie van plan als bedoeld in art. 3.1. van de Wet ruimtelijke ordening in onderdeel A van het Besluit m.e.r. Hierin staan nog allerlei andere planvormen waarop de m.e.r.-plicht van toepassing kan zijn.

 

M.e.r.-plicht: kijk naar het hele plan

Bij het bepalen van de m.e.r.-plicht voor bijvoorbeeld een deelplan van een nieuwe woonwijk, wordt gekeken naar alle toekomstige woningen volgens het totale plan voor de wijk en niet alleen naar het deelplan.
Over samenhang en fasering is jurisprudentie:

 

Crisis- en herstelwet

De Crisis- en herstelwet kan soms de vereisten aan een milieueffectrapport beïnvloeden bij speciaal aangewezen projecten.
Lees meer hierover in de factsheet Crisis- en herstelwet en m.e.r.

 

Ladder van duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en sinds 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen (zie art. 3.1.6. tweede lid).

De ladder voor duurzame verstedelijking draagt bij aan een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Hierdoor wordt de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut.

In een plan voor stedelijke ontwikkeling moet, naast de eisen die de Wet milieubeheer stelt, ook worden ingegaan op de ladder van duurzame verstedelijking. Het ligt voor de hand die afwegingen mee te nemen in het milieueffectrapport. De Raad van State heeft hier uitspraak over gedaan: Bestemmingsplan Amstelstation, Amsterdam (25 september 2013)

 

Tritsen

Als een m.e.r. is uitgevoerd voor een rijks- of provinciale structuurvisie dan vervalt daarmee niet de m.e.r.-plicht voor een daaropvolgend gemeentelijk plan. De plan-m.e.r.-plicht kan dus terug komen in verschillende momenten van een planproces. De informatie in de opeenvolgende milieueffectrapporten kan worden afgestemd op de reikwijdte en het detailniveau van het te nemen besluit. Wel kan natuurlijk gebruik worden gemaakt van de informatie uit een eerder milieueffectrapport, mits dit aansluit bij het detailniveau van het besluit. 

Als er echter eenmaal een project-m.e.r. is afgerond voor een bepaalde activiteit, dan geldt als algemene regel dat de m.e.r.-plicht is vervuld en er geen plan-m.e.r. hoeft te volgen.

 

Combinatie-m.e.r.
In de praktijk komt het vaak voor dat plan-m.e.r. en besluit-m.e.r. tegelijkertijd aan de orde zijn. Dat kan al het geval zijn omdat er voor sommige delen van het bestemmingsplan geen uitwerking volgt en voor andere delen wel. In dat geval wordt met beide procedurevoorschriften rekening gehouden.

  

Wat zijn voordelen van milieueffectrapportage op strategisch niveau?

Het biedt de mogelijkheid om:

  1. Alternatieven af te wegen die later op projectniveau niet meer aan de orde kunnen en/of hoeven te zijn. Denk aan locatie- en tracé-alternatieven.
  2. De haalbaarheid van een activiteit in verschillende oplossingsrichtingen te onderzoeken voordat tot invulling wordt overgegaan.
  3. Een project in een breder verband te plaatsen.
  4. Cumulatieve effecten van meerdere activiteiten in beeld te brengen.
  5. Alle betrokken partijen vroegtijdig te raadplegen en zo verrassingen in een later stadium te voorkomen. Ook creëert het draagvlak.
  6. Tot afstemming te komen met andere overheden.

 

Hoe meer het milieueffectrapport bij het verzamelen van relevante milieu-informatie aansluit bij de plaatselijke problemen en de bestuurlijke vragen die leven, hoe groter de meerwaarde.

 

  • De gemeente Nieuwegein onderzocht alternatieven voor een visie op de toekomstige ontwikkeling. Het milieueffectrapport ondersteunt het keuzeproces en brengt in beeld welke milieuknelpunten bij elke keuze moeten worden opgepakt. Daarmee geeft het rapport een onderbouwing van beleid dat in de tijd flexibel concreet kan worden ingevuld.
  • De gemeente Eindhoven gebruikte het milieueffectrapport om al het her en der opgestelde beleid bijeen te brengen en na te gaan wat dat voor de milieukwaliteit in de gemeente betekent: waar is aanvullend beleid nodig?
  • De gemeente Katwijk richtte zich in het milieueffectrapport vooral op enkele grote nieuwe activiteiten en onderzocht hoe de verkeersontwikkeling zou uitpakken voor de duinennatuur (Natura 2000).
  • De gemeente Rijnenburg gebruikte het milieueffectrapport om ambities op duurzaamheid en klimaat te formuleren en die te gebruiken bij het ontwerpen van een grote nieuwe woonwijk.

 

Uit deze voorbeelden blijkt dat de bestuurlijke vragen sterk uiteen lopen. De milieueffectrapporten zijn dus ook heel verschillend. Het gemeenschappelijke zit in een streven naar een duurzame gemeente. De meerwaarde van m.e.r. zit in het zoeken naar mogelijkheden om de ambities in te vullen en het vinden van informatie om goede besluiten te nemen.

 

Zie ook de factsheets
Gemeentelijke structuurvisies en m.e.r.

Rijks- en provinciale structuurvisies en m.e.r.

 

Voordelen van een m.e.r. bij een bestemmingsplan

Het biedt de mogelijkheid om:

  1. Een goede onderbouwing te geven van de noodzaak om een bepaalde ontwikkeling te willen realiseren (op basis van de Ladder voor duurzame verstedelijking). Want dat is een veel gevallen een onderwerp waar veel zienswijzen zich op richten.
  2. Creatief na te denken over de beste manier om het project uit te voeren, onder meer bezien vanuit het milieubelang.
  3. Rekening te houden met wensen en ideeën van diverse betrokkenen om zo de kwaliteit van het plan te vergroten, in het bijzonder op het gebied van woon- en leefmilieu.
  4. De effecten van het project de toetsen aan milieuwet- en regelgeving om zo te voorkomen dat het plan na vaststelling bij de rechter strandt.