212. Uitbreiding stortplaats Noordwest te Zoetermeer

De stortcapaciteit in Zuid-Holland voor met name bouw- en sloopafval gaat een knelpunt vormen, omdat de bestaande stortplaatsen vol raken, terwijl realisatie van nieuwe stortplaatsen langer duurt dan verwacht. Ter overbrugging wordt voorgesteld de stortplaats Noordwest in Zoetermeer uit te breiden met 1,1 miljoen m3. In oppervlakte beslaat deze uitbreiding 11 ha, waardoor de totale stortplaats 61 ha zou gaan beslaan. Deze uitbreiding is bedoeld voor bouw- en sloopafval, daarmee te vergelijken bedrijfsafvalstoffen, wegverharding, straat- en veegvuil, kolkenslib, tuinbouwafval (voor zover niet composteerbaar of niet geaccepteerd bij de composteerinrichting), grond vermengd met bouw- en sloopafval, alsmede de organische fractie uit de huisvuilscheidinginstallatie van Recycling Zoetermeer B.V.  

Procedure en adviezen

Richtlijnen
07-12-1988 Datum kennisgeving
07-12-1988 Ter inzage legging van de informatie
16-02-1989 Advies uitgebracht
Advies voor richtlijnen
Toetsing
14-02-1990 Aanvraag toetsingsadvies bij de Commissie m.e.r.
14-02-1990 Kennisgeving MER
14-02-1990 Ter inzage legging MER
19-04-1990 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsingsadvies

Opmerkingen bij de advisering

In het richtlijnenadvies vroeg de Commissie o.a. aandacht voor de risico's (met name voor folies en drainagesysteem) van ongelijkmatige en onverwacht optredende maaiveldsdaling. Het opgestelde roulatieschema, waardoor de bestaande stortplaats en de uitbreiding wisselend worden gebruikt en de risico's van onverwachte zetting wordt beperkt, werd als nogal krap beoordeeld. De Commissie vroeg aandacht voor de relatie met de stortcapaciteit van de provincie; de relatie met het provinciaal afvalstoffenbeleid kwam in het richtlijnenadvies ook aan de orde. Daarnaast vroeg de Commissie een alternatief uit te werken, waarin pas op langere termijn een bovenafdichting op de stortplaats wordt aangebracht, zodat eerst een aantal jaren uitloging kan plaatsvinden.

Bij de terinzagelegging van het MER en de aanvragen voor een Aw- en Wvo-vergunning werd ook het verzoek om vrijstelling ex artikel 19 Wet RO ter inzage gelegd. In het toetsingsadvies gaf de Commissie een positief oordeel over het MER. Wel vroeg ze aandacht voor de afdekking van de stort, omdat tijdens de procedure gebleken was, dat het stortfront niet altijd werd afgedekt1: hierdoor is meer hinder ontstaan dan strikt noodzakelijk zou zijn. Ook de eindafdekking van de stort werd in het toetsingsadvies als aandachtspunt naar voren gebracht: deze grond behoort aan hoger kwaliteitseisen te voldoen dan de stortfrontafdekking, omdat de vegetatie hierin moet wortelen. De Commissie vroeg zich af, of grond van elders zou moeten worden aangevoerd, omdat bij de voorgenomen ontgrondingsdiepte niet genoeg grond zou vrijkomen om de stortplaats overal af te dekken met een laag grond van 1 m dik.

Naar aanleiding van de ontwerp-beschikkingen maakte op 20 september 1990 de gemeente Zoetermeer bezwaar tegen de ontwerp-beschikking Wvo.

Op 7 december 1990 ontving de Commissie bericht van de provincie Zuid-Holland, dat de aanvraag voor de ontgrondingsvergunning was gewijzigd. De wijziging betrof de ontgravingsdiepte (in plaats van 50 cm over het hele terrein nu 40 cm over het hele terrein, maar op enkele plaatsen tot 2 meter onder maaiveld). Uit de bijbehorende werkomschrijving is af te leiden, dat de vrijkomende 102.000 m³ grond in depot zal worden gehouden en kan worden gebruikt voor de afdekking van de stort.

Het bestemmingsplan Uitbreiding recreatiegebied Zoetermeer-Noordwest is op 25 april 1991 door de gemeenteraad vastgesteld en op 10 september door GS van Zuid-Holland goedgekeurd. Aangezien geen bezwaren waren ingebracht, is het bestemmingsplan onherroepelijk geworden.

De beschikkingen ingevolge de Aw en de Wvo werden echter aangevochten. De voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State besloot op 10 juli, dat het storten van de organische en inerte fractie van de huisvuilscheidingsinstallatie Zoetermeer en van grof huisvuil niet in overeenstemming was met het geldende afvalstoffenplan2. Daarom werd de beschikking van 15 januari 1991 van GS Zuid-Holland nietig verklaard. Het ingestelde beroep tegen de Wvo-vergunning bleek zich te richten tegen de realisatie van de stortplaatsuitbreiding en werd daarom verworpen. De Wvo-vergunning werd daarmee onherroepelijk.

Op 21 juni 1991 verleenden GS een vergunning aan de gemeente Zoetermeer ingevolge de Ontgrondingenwet en de Ontgrondingenverordening Zuid-Holland. Tegen deze vergunning is geen beroep ingesteld.

Op 6 maart 1992 liep de destijds verleende vergunning voor de 'oude' stortplaats Zoetermeer-Noordwest af.

In antwoord op het verzoek van de gemeente Zoetermeer om op basis van de aanvraag van 9 februari 1990 opnieuw een vergunning in het kader van de Afvalstoffenwet te verlenen heeft de provincie Zuid-Holland een nieuwe ontwerp-beschikking opgesteld, die van 10 december tot en met 24 december 1992 ter inzage werd gelegd. Volgens deze ontwerp-beschikking wordt vergunning geweigerd voor het storten van organische en inerte fractie uit de huisvuilscheidingsinstallatie Zoetermeer, voor tuinbouwafval en grof huisvuil. Tegen de ontwerp-beschikking zijn drie bezwaarschriften ingebracht.

Op 21 juni 1993 verleenden GS van Zuid-Holland ten tweede male een vergunning aan de gemeente Zoetermeer (dit keer ingevolge de Wm). Deze beschikking werd aangekondigd in de Staatscourant van 30 juni 19933. Deze vergunning bevatte enkele evaluatiebepalingen.

Sindsdien is een procedure gestart voor afwerking en herinrichting van de stortplaats Noordwest4.

Bij brief van 12 februari 1999 heeft Opgecomen Landen/PROAV bericht dat zij de vergunning hebben overgenomen van de gemeente Zoetermeer.

Tegen de vergunning is beroep ingesteld. De Raad van State heeft de vergunning vernietigd “voor zover daarbij een hogere waarde voor verontreinigde grond is vergund dan de B-waarde van de toetsingstabel van de Interim-wet Bodemsanering, voor zover daarbij niet is bepaald dat een mobiele sproei-installatie binnen de inrichting aanwezig dient te zijn”. Bovendien verbond de Raad van State zelf voorschriften aan het equivalente geluidsniveau. Op 11 augustus 1999 maakte de provincie bekend dat zij van plan was een ambtshalve wijziging van de vergunning aan te brengen die voldeed aan deze opmerkingen van de Raad van State.

Op 11 augustus 1999 meldde de provincie Zuid-Holland haar gemotiveerde voornemen om een aantal vergunningvoorschriften te wijzigen en zo tegemoet te komen aan de bepalingen uit het Stortbesluit bodembescherming, het Besluit stortverbod afvalstoffen, en de uitspraak van de Raad van State.

Op 16 februari 2000 maakte de provincie een ontwerp-beschikking ingevolge de Wm bekend ter reparatie van de deels vernietigde, deels door de Raad van State zelf aangevulde vergunning.

De ontwerp-beschikking werd op 18 juni 2000 omgezet in een beschikking.

Op 23 maart 2001 stemde de gemeente Zoetermeer in met een overdracht van de exploitatieovereenkomst van IGAT B.V. IGAT heeft vanwege de gewijzigde marktomstandigheden de provincie verzocht om de vergunning (met de gewijzigde voorschriften van 2000) in te trekken. GS van Zuid-Holland gaven in een ontwerpbeschikking van 23 oktober 2001 te kennen in te stemmen met de intrekking van de vergunning en trokken op 6 december 2001 de vergunning daadwerkelijk in.

1 Daarbij werd als datum van de beschikking echter 21 juni 1991 genoemd.

2 Mogelijk is hierbij ook de directie Noordzee van Rijkswaterstaat als vergunningverlenende instantie betrokken.

3 Indien de samenstelling van het af te voeren percolatiewater zodanig is, dat rechtstreeks op het oppervlaktewater zou kunnen worden geloosd, dan zou bij de vergunningverlening ook het hoogheemraadschap Rijnland betrokken zijn. Als de samenstelling van het af te voeren percolatiewater daarentegen zodanig is, dat het effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallatie Houtrust niet meer voldoet aan de huidige voorschriften dan is Rijkswaterstaat, directie Noordzee, mede bevoegd gezag (herziening Wvo-vergunning).

4 Zie project 619.


 

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. ir. W. van Duijvenbooden
dhr. drs. J.H. Smittenberg
dhr. ir. T. Teeuwen

Voorzitter: dhr. dr. J.Th. de Smidt
Werkgroepsecretaris: dhr. drs. M. Odijk

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Zoetermeer

Bevoegd gezag
Provincie Zuid-Holland
hoogheemraadschap Delfland

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Zuid-Holland


Categorieën Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
D00.1 uitbreiding stortplaats niet-gevaarlijk afval, m.e.r.-plicht tot 1999
D18.3 tot 1-4-2011: Wijzigen van inrichting voor diverse afvalstoffen

Bijgewerkt op: 04 mrt 2008