ECLI:NL:RVS:2019:1573

Betreft Trac├ębesluit Spooromgeving Geldermalsen
Datum uitspraak 15-05-2019
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden spoorwegen, mitigerende maatregelen, alternatieven, landschap, Aarhus, SMB-richtlijn, Geldermalsen
Bronnen vindplaats Zaaknummer 201800650/1/R3

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

Inspraak is voldoende als: 

  • daarvoor diverse momenten zijn geweest;
  • in de toelichting bij het besluit uiteen gezet wordt hoe dit is opgezet;
  • het ontwerp-besluit ter visie heeft gelegen en iedereen in de gelegenheid is gesteld zienswijzen in te dienen en
  • de zienswijzen gemotiveerd zijn beantwoord.
Kosten mogen meewegen in de keuze voor een bepaald alternatief. In een m.e.r.-beoordeling mag de conclusie getrokken worden dat een milieueffectrapport niet nodig is als nadelige effecten door mitigerende maatregelen weggenomen kunnen worden. In een m.e.r.-beoordeling hoeven geen alternatieven onderzocht te worden.

Casus

Op 9 december 2017 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het tracébesluit Spooromgeving Geldermalsen vastgesteld. Het doel van het tracébesluit is het verbeteren van de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van de spoorweg. Daarom wordt in het tracébesluit de ligging van de sporen bij station Geldermalsen aangepast en het aantal perrons op dat station uitgebreid. Ook voorziet het tracébesluit in een derde spoor met een lengte van ongeveer 1500 m tussen Dordrecht en Geldermalsen. Bij Tricht maakt het tracébesluit de aanleg van onderdoorgangen onder het spoor mogelijk en een randweg die aansluit op de bestaande wegenstructuur.
 
Inspraak
Appellanten vinden dat onvoldoende rekening is gehouden met de inspraak van de bewoners van Tricht. Zo zou geen van hun voorstellen serieus zijn onderzocht, hun adviseurs onder druk zijn gezet door Prorail en in de onderzoeksperiode de metingen van geluid, trillingen en luchtkwaliteit ineens veel lager uitgevallen zijn. Volgens hen stond het besluit al vast. Uit een mededeling aan de Tweede Kamer blijkt dat de staatssecretaris zich het meeste zorgen maakt over de kostenoverschrijding en niet over het minimaliseren van overlast en schade. Appellanten menen daarom dat in strijd met het Verdrag van Aarhus geen inspraak is geboden op het moment dat alle opties nog open stonden. Dit is volgens hen ook in strijd met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, zoals vastgelegd in richtlijn 2003/35/EEG.
 
M.e.r.-beoordeling/alternatieven
Appellanten voeren aan dat de vormvrije m.e.r.-beoordeling te beperkt is geweest. Volgens hen hadden ook alternatieven moeten worden afgewogen met de minst nadelige gevolgen voor ecologie en het woon- en leefklimaat van omwonenden. De keuze voor het tracé van de randweg is alleen ingegeven door het motief dat dan maar één woning hoeft te worden aangekocht.
Daarnaast menen zij dat de conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling had moeten zijn dat een formele m.e.r.-beoordeling doorlopen had moeten worden.
 
Overwegingen van de bestuursrechter
Inspraak
De Afdeling constateert dat in paragraaf 2.3 van de toelichting bij het tracébesluit is uiteengezet hoe burgers en maatschappelijke organisaties bij de besluitvorming zijn betrokken. Er zijn diverse inspraakmomenten in verschillende vormen geweest, zoals bijeenkomsten met maatschappelijke organisaties, een workshop voor omwonenden, voorlichtingsavonden en enquêtes. Ook is voorlichtingsmateriaal samengesteld over geluid, trillingen, planschade en veiligheid, zijn nieuwsbrieven verspreid en is een website opgezet inclusief een documentenbibliotheek. Het ontwerp-tracébesluit heeft ter visie gelegen, daarover kon iedereen zienswijzen indienen. Naar het oordeel van de Afdeling voldoet de inspraak aan de vereisten van de Tracéwet en de Awb. De Afdeling komt daarom niet toe aan de vraag of de inspraak voldoet aan de vereisten van het Verdrag van Aarhus en de Smb-richtlijn, maar geeft wel aan dat het voldoet (zie in dit verband ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2938 en ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616). Dat de adviseurs onder druk gezet zouden zijn en meetgegevens aangepast, is naar het oordeel van de Afdeling niet onderbouwd.
In de toelichting bij het tracébesluit is inzicht gegeven hoe de minister de vaak tegenstrijdige belangen heeft afgewogen. De zienswijzen zijn beantwoord in een zienswijzennota. Dat voorstellen van omwonenden niet worden overgenomen, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat deze zonder serieuze bestudering of zonder reden opzij zijn geschoven. Uit de mededeling van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer – zonder in te gaan of die mededeling inderdaad gedaan is- kan volgens de Afdeling niet geconcludeerd worden dat de kostenoverschrijding het enige belang is dat meegewogen is.
 
M.e.r.-beoordeling/alternatieven
In dit geval is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. De drempelwaarde van categorie D2.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt namelijk niet overschreden. Voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeven geen alternatieven beschreven worden. De Afdeling mist een feitelijke onderbouwing dat alleen financiële motieven een rol hebben gespeeld. Uit het besluit blijkt dat ook verkeersveiligheid en landschappelijke inpasbaarheid een rol hebben gespeeld. De Afdeling overweegt dat bij de vaststelling van een tracébesluit naast ruimtelijke belangen, ook politieke en bestuurlijke inzichten een rol spelen. Financiële afwegingen mogen ook betrokken worden.
In het rapport ‘Vormvrije m.e.r.-beoordeling spooromgeving Geldermalsen’ van 2017 zijn de effecten voor geluid, luchtkwaliteit, trillingen, externe veiligheid, bodem, water, natuur, landschap en cultuurhistorie, archeologie, grondgebruik, verkeers- en sociale effecten onderzocht. Dit is gedaan volgens artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit milieueffectrapportage. Omdat voor water en archeologie nadelige effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, is aanvullend onderzoek gedaan. Daaruit blijkt dat nadelige effecten voor water en archeologie weggenomen kunnen worden door het treffen van maatregelen. De Afdeling volgt daarom de conclusie in het rapport dat het totale project positief is beoordeeld.
Voor het landschap zijn de effecten na het treffen van maatregelen als licht negatief beoordeeld. In de besluitvorming is hiermee rekening gehouden door het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de gevolgen van het tracébesluit voor het landschap niet dusdanig, dat het niet had mogen worden vastgesteld.
 
Uitspraak
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond, maar vernietigt het tracébesluit vanwege andere beroepsgronden en laat de rechtsgevolgen in stand.