201600623/1/R1

Betreft Bestemmingsplan Buitengebied Baak, gemeente Bronckhorst
Datum uitspraak 06-09-2017
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden veehouderij, Bronckhorst, alternatieven, water, passende beoordeling, stikstof, maximale mogelijkheden, bestemmingsplannen, buitengebied, klimaatadaptatie

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Voor het alternatievenonderzoek van een veehouderij mag rekening worden gehouden met de overige gronden van het bedrijf.

  • Als in het milieueffectrapport de kans op een overstroming is onderzocht en niet is aanbevolen dat een gebied wordt opgehoogd, hoeft dat niet te worden voorgeschreven in de vergunning.

  • Dieraantallen zijn relevant voor het bepalen van de ruimtelijke effecten van een plan.

Casus

Op 29 oktober 2015 heeft de raad van de gemeente Bronckhorst het bestemmingsplan ‘Buitengebied; [locatie A] Baak’ vastgesteld. Het plan voorziet in de bouw van een melkveehouderij ter plaatse van het perceel van ca. 10 ha [locatie A] in Baak. De planregels voorzien in een emissieplafond. Het plan betreft een gedeeltelijke wijziging naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 4 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1012. De voorzitter heeft toen geoordeeld dat de salderingsberekening onduidelijk was.
Appellanten wonen of exploiteren hun veehouderijen ten westen van het perceel. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op 450 meter afstand van het plangebied.

 

Alternatieve locaties
Appellanten menen dat het plan in strijd is met artikel 2.5.2.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de verordening). De verordening verbiedt namelijk nieuwvestiging van grondgebonden veehouderijen, tenzij kan worden aangetoond dat hervestiging op een bestaand agrarisch perceel ondoelmatig is. Volgens appellanten staan regelmatig melkveehouderijen te koop en is onvoldoende gekeken naar alternatieve locaties buiten het inundatiegebied van de IJssel.

 

Inundatiegebied
Appellanten menen verder dat het vestigen van een nieuw bedrijf in een laag gelegen deel van het inundatiegebied (gebied dat men laat overstromen om bij wateroverlast de waterbergende oppervlakte te vergroten) in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Bij hoge waterstanden van de IJssel en een grote wateraanvoer via de Baakse Beek zal inundatie plaatsvinden van de lagergelegen delen zoals de Bakerwaard. Volgens hen tast het plan de waterbergende functie aan. De beoogde verhoging van de vloer tot 7,25 m + NAP voor de bedrijfsgebouwen is volgens hen onvoldoende om een overstroming van bijvoorbeeld mestkelders te voorkomen.
De raad meent dat uit het milieueffectrapport blijkt dat de kans op inundatie zeer gering is en dat het bedrijf op een donk (een hoger gelegen stuk grond) ligt. Met een kleine beoogde ophoging en waterbestendig bouwen zijn risico’s door overstroming niet te verwachten.


Maximale mogelijkheden
Appellanten voeren aan dat in de planregels geen maximale aantallen dieren zijn genoemd, maar alleen een emissieplafond. Daardoor is het mogelijk meer dieren te huisvesten in de stallen als een emissiearmer stalsysteem wordt toegepast. Het houden van meer dieren kan grotere ruimtelijke effecten met zich brengen dan waar de raad vanuit is gegaan.
De raad stelt dat de planregel een duidelijk maximum aan de ammoniakemissie van de activiteiten binnen het bouwvlak stelt, en dat daar ook mee gerekend is in de Passende beoordeling. Aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden is uitgesloten.

 

Overwegingen van de bestuursrechter

Alternatieve locaties
De Afdeling overweegt dat in het milieueffectrapport tien alternatieve locaties buiten het plangebied zijn onderzocht. Het gaat om zowel bestaande als nieuwe vestigingsplekken. Ook is beschreven welke alternatieven voorhanden waren en waarom deze al dan niet zijn afgevallen. Bij het zoeken naar reële alternatieve locaties moest rekening worden gehouden met de overige gronden van [partij]. Daardoor is het zoekgebied beperkt. De Afdeling oordeelt dat voldoende alternatieve locaties zijn onderzocht. Daarbij weegt mee dat appellanten niet hebben onderbouwd welke alternatieve locaties meer voordelen hebben dan de nu gekozen locatie.

 

Inundatiegebied
De Afdeling overweegt dat uit het milieueffectrapport blijkt dat de kans op inundatie een keer in de 140 jaar is. Hiervoor moet een extreme waterafvoer van het achterland meerdere dagen aanhouden. Er is in zo’n geval voldoende tijd voor de raad om te communiceren met zittende ondernemers en bewoners zodat zij maatregelen treffen. In het milieueffectrapport is niet aanbevolen een hoogte van 8,00 m+ NAP aan te houden. Gelet daarop en op de geringe kans op inundatie vindt de Afdeling het redelijk niet een stalvloerhoogte van 8,00 m + NAP voor te schrijven.

 

Maximale mogelijkheden
De Afdeling overweegt dat de planregel die de uitstoot van ammoniak maximeren, niet verhinderen dat andere hoeveelheden melkrundvee of jongvee worden gehouden dan waar de raad vanuit is gegaan. Daardoor zijn er mogelijk andere ruimtelijke effecten, zoals meer transportbewegingen, dan waar de raad rekening mee heeft gehouden. De Afdeling vindt het besluit daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

 

Uitspraak
De Afdeling verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit.

Documentatie