302. Opslag en bewerking pluimveemest door Legro b.v. te Asten

Legro wil een overdekte inrichting oprichten voor opslag en bewerking van droge pluimveemest met een jaarcapaciteit van 80.000 ton. Hiertoe zal een opslaghal worden gebouwd van 4.800 m2, waarin maximaal ca. 15.000 droge pluimveemest kan worden opgeslagen.  

Procedure en adviezen

Beoordeling
18-07-1990 Adviesaanvraag
19-07-1990 Datum kennisgeving
19-07-1990 Ter inzage legging van de informatie
Ontheffing a
05-09-1990 Adviesaanvraag
05-09-1990 Datum kennisgeving
05-09-1990 Ter inzage legging van de informatie
03-10-1990 Advies uitgebracht

Opmerkingen bij de advisering

Bij de voorbereiding van haar advies heeft de Commissie aanvullende informatie gevraagd aan de initiatiefnemer. De Ministers hebben besloten deze informatie opnieuw bekend te maken en ter inzage te leggen.

In haar advies telde de Commissie, dat van het oprichten en in bedrijf hebben van deze inrichting geen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De emissie van ammoniak zal maximaal 200 kg/jaar bedragen en de depositie van ammoniak als gevolg van de emissies van Legro zal, aan de rand van de Dennendijkse bossen, maximaal 9 mol potentieel zuur/ha/jaar bedragen. In relatie tot de heersende achtergrondconcentraties is dit naar het oordeel van de Commissie een geringe bijdrage.

De bestaande situatie met opslag van grote hoeveelheden pluimveemest in de open lucht, zonder enige voorziening en met belangrijke emissies naar water en lucht, zal door de voorgenomen activiteit komen te vervallen. Het besmettingsgevaar voor een nabijgelegen pluimveebedrijf door verspreiding van pathogene micro-organismen zou bovendien aanzienlijk gereduceerd worden. Enige overlast voor omwonenden, via geurhinder en verkeerslawaai, was niet uit te sluiten.

Op grond van deze overwegingen achtte de Commissie het dan ook niet nodig om de procedure van m.e.r.. te laren doorlopen voor de besluitvorming in het kader van de Afvalstoffenwet.

Na het ministeriƫle besluit is beroep aangetekend door de Brabantse Milieufederatie. De voorzitter van de afdeling Geschillen van Bestuur van de Raad van State heeft op 29 mei 1991 besloten de beschikking over de ontheffing te schorsen.

Bij Koninklijk Besluit van 15 juni 19921 is uitspraak gedaan over het ingestelde beroep. Geconcludeerd werd dat voor deze opslag en bewerking van droge pluimveemest geen vergunning ingevolge de Afvalstoffenwet is vereist, maar een vergunning ingevolge de Hinderwet. Als gevolg hiervan geldt geen verplichting tot het opstellen van een MER. Daarom is de verleende ontheffing vernietigd

1 KB G 05.90.1614


 

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. dr. H. Nieboer
dhr. ir. C. Nijhof

Voorzitter: dhr. dr. J.Th. de Smidt
Werkgroepsecretaris: dhr. drs. R.L.J.M. Klerks

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Legro b.v.

Bevoegd gezag
Noord-Brabant

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Noord-Brabant


Categorieƫn Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
D00.2 mestverwerking, m.e.r.-plichtig destijds (1987-1999)
D18.2 tot 1-4-2011: Dierlijke, organische meststoffen, GFT, groenafval: verwerken of vernietigen >=100ton per dag

Bijgewerkt op: 04 mrt 2008