340. Bedrijventerrein Groot Bijsterhuizen (Wijchen / Nijmegen)

De gemeenten Nijmegen en Wijchen, vertegenwoordigd in de Stuurgroep Groot Bijsterhuizen, willen (na een onderzoek naar de regionale behoefte aan bedrijventerreinen) een grootschalig bedrijventerrein realiseren, dat grotendeels op Wijchens grondgebied ligt.   

Procedure en adviezen

Richtlijnen
27-02-1991 Datum kennisgeving
27-02-1991 Ter inzage legging van de informatie
10-04-1991 Advies uitgebracht
Advies voor richtlijnen
Toetsing
28-02-1992 Aanvraag toetsingsadvies bij de Commissie m.e.r.
12-03-1992 Kennisgeving MER
12-03-1992 Ter inzage legging MER
28-04-1992 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsingsadvies

Opmerkingen bij de advisering

Op 24 januari 1990 had de gemeenteraad van Wijchen een voorbereidingsbesluit genomen in verband met de voorgenomen wijziging van de bestemming van een terrein in het noordoosten van haar grondgebied tot bedrijventerrein. Al eerder, bij het voorontwerp-structuurplan 1990 had deze gemeente duidelijk gemaakt rekening te houden met de mogelijkheid in dit gebied een bedrijventerrein aan te leggen; in 1990 waren hier echter nog enkele voorwaarden aan gekoppeld. Voordat de m.e.r.-procedure startte, was Nijmegen al voor Bijsterhuizen-zuidoost (het Nijmeegs deel van het bedrijventerrein) een artikel-19-procedure ingevolge de Wet ruimtelijke ordening gestart, had al een belangrijk deel van de grond aangekocht, en een terrein uitgegeven. Het Nijmeegs deel omvat ca. 50 ha bruto; aangezien de m.e.r.-plicht geldt voor terreinen van 100 ha of meer, is geredeneerd, dat voor de besluitvorming over dit deel van het terrein geen m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen. 

In de plannen speelde tevens een rol, dat zich op Nijmeegs grondgebied een particuliere helihaven bevond, die slechts werd gedoogd. Het lag in de bedoeling voor deze helihaven binnen het Wijchens deel van Groot Bijsterhuizen een oplossing te vinden en de status te legaliseren.

 

In het richtlijnenadvies vroeg de Commissie onder andere informatie over de consequenties voor het reserveringsgebied Beuningen, zoals dat was aangegeven in het Waterhuishoudingsplan. Tevens vroeg de Commissie aandacht voor de status van Bijsterhuizen-zuidoost (= het Nijmeegs deel van het bedrijventerrein). Uit de door beide gemeenten verstrekte informatie kwam naar voren, dat de besluitvorming hierover nog niet was afgerond. De Commissie vroeg in de aanbiedingsbrief bij het richtlijnenadvies te bezien, of het milieueffectrapport tevens zou kunnen worden gebruikt voor de besluitvorming over Bijsterhuizen-zuidoost. Ook wees zij op de relatie met het structuurplan van Wijchen, waarvoor een procedure was gestart en waarin de reservering voor het bedrijventerrein onder voorwaarden was opgenomen; het milieueffectrapport zou naar het oordeel van de Commissie moeten dienen voor de cruciale beslissing over het bedrijventerrein.

Ook werd ingegaan op de milieugevolgen op lange termijn. Aangezien de ingebruikname als bedrijventerrein naar in de startnotitie werd vermeld over een lange periode verspreid zou zijn – en juist het gebruik van het bedrijventerrein een belangrijke factor zal vormen voor de optredende milieueffecten – wees de Commissie op de mogelijkheden om bij uitvoeringsmaatregelen als acquisitie- en uitgiftebeleid de bij m.e.r. verplichte evaluatie een rol te laten spelen.

GS van Gelderland besloten op 14 mei 1991 om het reserveringsgebied Beuningen te verkleinen ten gunste van Groot Bijsterhuizen; tevens verzocht de provincie de gemeente Wijchen om, voor zover Groot Bijsterhuizen nog in het reserveringsgebied zal liggen, rekening te houden met deze reservering.

Op 22 mei 1991 deelde het college van Nijmegen de Commissie mee niet in te gaan op de suggestie om de besluitvormingsprocedure voor Bijsterhuizen-zuidoost op te schorten totdat het MER voldoende informatie zou hebben geboden voor afronding van de besluitvorming, onder andere omdat de opschorting inmiddels zou het verlies van twee bedrijfsacquisities zou betekenen.

Tijdens de opstelling van het MER bleek de voorkeur van de initiatiefnemer te wijzigen, waardoor een deel van het oorspronkelijke plangebied (het zogeheten 'deelgebied 3') volgens het nieuwe voorkeursalternatief buiten de planvorming zou worden gehouden. Door het late tijdstip van deze voorkeursverandering is deze wijziging slechts gemeld in het MER. Nog later bleek de voorkeur nog verder te verschuiven: de oorspronkelijk opgenomen (verplaatsing van een tot dan toe gedoogde) helihaven kwam te vervallen en het Koentjesbos zou buiten de planvorming worden gehouden. Tevens startte de gemeente Nijmegen de procedure voor een nieuw bestemmingsplan voor het deel Bijsterhuizen-zuidoost, gebaseerd op de resultaten van het MER en aansluitend op het Wijchense (voorontwerp-) bestemmingsplan.

De Commissie kwam in het toetsingsadvies tot het oordeel, dat het MER voldoende informatie bevat voor de besluitvorming. Zij wees er tevens op de fricties tussen het voornemen en het landelijk beleid. Dit gold vooral voor de plaats van het bedrijventerrein in relatie tot de ecologische verbindingsfuncties1 en voor de bereikbaarheid van het terrein, die is toegespitst op bereikbaarheid per auto.

Zij vond het jammer, dat de argumenten om deelgebied 3, waar de meeste problemen werden verwacht met een wijziging van bestemming naar bedrijventerrein, buiten de planvorming te houden, niet in het MER stonden. Hierdoor was de informatie in het MER 'worst case' geworden. De milieueffecten van de helihaven waren naar het oordeel van de Commissie niet goed af te wegen tegen de doelstellingen, omdat informatie over deze laatste ontbrak in het MER.

In de aanbiedingsbrief bij het advies sprak de voorzitter van de werkgroep waardering uit over het initiatief om voor het eerst (voor zover na te gaan) een extern bureau is ingeschakeld om de aanvaardbaarheid van een MER te beoordelen. Door deze 'iteratieve aanpak' kan weliswaar enige onduidelijkheid zijn ontstaan voor insprekers; toch kan dit samengaan van planvorming en m.e.r. als voorbeeld dienen voor een geslaagde inbreng van milieuafwegingen.

In juni 1992 zond de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek een eindrapport van de aanvullende archeologische inventarisatie aan de Stuurgroep Groot Bijsterhuizen. Hiermee werd het vermoeden bevestigd, dat zich in het plangebied terreinen bevinden van archeologische waarde. Op grond van het onderzoek zijn verschillende terreinen gekwalificeerd als meldingsgebied of te beschermen monument. De ROB stelde een gefaseerd verder onderzoek voor.

Op 3 december 1992 werd het ontwerp-bestemmingsplan Groot Bijsterhuizen voor een maand ter inzage gelegd, samen met het MER en een standpuntbepaling van B&W van Wijchen.

De gemeenteraad van Nijmegen heeft in haar vergadering van 7 april 1993 besloten zich te verenigen met de voorgestelde wijzigingen op het ontwerp-bestemmingsplan Groot Bijsterhuizen, deelgebied Nijmegen, en dit herziene bestemmingsplan vast te stellen.

In de Wijchense gemeenteraadsvergadering werden de plannen op 29 april 1993 vastgesteld.

De aanleg van het 'logipark Bijsterhuizen' is op 28 juni 1994 gestart. In de loop van 1995 konden bedrijfsvestigingen volgen.

Op 13 september 1996 hebben GS van Gelderland aan de gemeenschappelijke regeling Bijsterhuizen vergunning ingevolge de Ontgrondingenwet en de Algemene wet bestuursrecht verleend. Daarmee werd toestemming gegeven voor het ontgronden van enkele percelen (en legalisering verleend voor het al ontgrond hebben) voor de aanleg van zes zogeheten retentievijvers (voor wateropvang).

De verwachting is, dat Groot Bijsterhuizen tussen 2000 en 2010 vol zal zijn geraakt.

 

1 Natuurbeleidsplan. Tweede Kamer, vergaderjaar 1989 –1990, 21 149, nrs. 2 – 3. 

 

 

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. drs. F.A.M. Claessen
dhr. ing. D. Hamhuis
dhr. prof.mr. C. Lambers
dhr. ir. P. Vrijlandt

Voorzitter: dhr. ir. K.H. Veldhuis
Werkgroepsecretaris: dhr. drs. M. Odijk

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Nijmegen
Wijchen

Bevoegd gezag
Wijchen

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Gelderland


Categorie├źn Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
C11.2 tot 1-4-2011: Aanleg bedrijventerrein >= 150ha

Bijgewerkt op: 10 jul 2018