939. Stedelijke ontwikkeling Flevoland (omgevingsplan)

Het initiatief behelst de aanleg van grote woninglocaties, bedrijventerreinen en glastuinbouwgebieden. De precieze omvang van het bouwprogramma wordt in de loop van het planproces bepaald.

Procedure en adviezen

Richtlijnen
25-03-1998 Datum kennisgeving
25-03-1998 Ter inzage legging van de informatie
28-05-1998 Advies uitgebracht
Toetsing
16-09-1998 Kennisgeving MER
16-09-1998 Ter inzage legging MER
24-11-1998 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsing a
07-02-2000 Kennisgeving MER
07-02-2000 Ter inzage legging MER
25-04-2000 Toetsingsadvies uitgebracht

Opmerkingen bij de advisering

Er is sprake van een gefaseerde m.e.r.-procedure. Eerst wordt een (milieu)effectrapport opgesteld voor de Ontwikkelingsvisie 2030 en daarna voor het Kaderstellende Deel tot 2015. Op verzoek van de provincie heeft de Commissie over beide fasen in één richtlijnenadvies geadviseerd. In haar advies voor richtlijnen deel I heeft de Commissie de door de provincie bij de startnotitie beschreven verstedelijkings(studie-)modellen als uitgangspunt genomen. Zij gaf aan hoe in deze modellen de milieuaspecten duidelijker en explicieter naar voren kunnen komen. Zij zag daarbij vier milieuthema’s die in de provincie Flevoland bij de onderhavige groeitaakstelling in de komende decennia de belangrijkste uitdaging zullen vormen: beheersen van de automobiliteit, kwaliteit van het woon-, recreatie- en leefmilieu, integraal waterbeheer en duurzaam energie-, grondstoffen- en afvalstoffenbeleid. Hierover gaf de Commissie in haar richtlijnenadvies een eerste aanzet tot visies. Per regio zou moeten worden bepaald welke visie het meest geschikte aanknopingspunt biedt voor een duurzame toekomstige ontwikkeling. Samenvoeging van deze deelgebiedvisies leidt tot het ontstaan van het meest milieuvriendelijke alternatief “Duurzaam Flevoland 2030”. Onderlinge vergelijking van de alternatieven aan de hand van een hiertoe opgesteld toetsingskader leidt tot de (bestuurlijke) keuze van een voorkeursalternatief. Ter afsluiting van de eerste fase adviseerde de Commissie een “landschapsecologisch raamwerk” op te stellen dat kan worden gebruikt als onderlegger voor de verdere verstedelijkingsplannen. Het geeft de belangrijkste waardevolle elementen en structuren aan die bij een duurzame en milieubewuste verstedelijking moeten worden ontzien dan wel versterkt. In het tweede deel van het advies wordt aangesloten bij de gangbare aanpak voor een locatiekeuze-m.e.r. voor woningbouw, bedrijventerreinen en glastuinbouw.

Bij de toetsing van het effectrapport eerste fase was de Commissie lovend over het gevolgde interactieve voorbereidingsproces en ook over de keuze van het abstractieniveau waarop het effectrapport was uitgevoerd. Ook de integrale aanpak was vernieuwend. Wel had de Commissie kritische opmerkingen over de invulling van het toetsingskader waarmee de alternatieven waren vergeleken en over het feit dat het gekozen verstedelijkingsmodel in de Ontwikkelingsvisie 2030 niet in het effectrapport was gemotiveerd en vergeleken met de andere alternatieven. Bovendien bleek het landschapsecologisch raamwerk nog niet te zijn opgesteld.

De Commissie woog echter mee dat er nog weinig ervaring was met integrale toetsingskaders op dit abstractieniveau en zag voldoende mogelijkheden om de tekortkomingen in de tweede fase van de planvorming te herstellen. Zij oordeelde dat voor deze fase over het geheel genomen de benodigde informatie aanwezig was om een besluit te kunnen nemen over het beleidsmatige deel van de Ontwikkelingsvisie 2030.

Ook over het tweede deel van het effectrapport bracht de Commissie een positief toetsingsadvies uit. Het effectrapport was duidelijk en overzichtelijk en bevatte in combinatie met het Omgevingsplan de essentiële informatie om het milieubelang een volwaardige rol te geven bij de besluitvorming over de woningbouwlocaties en bedrijventerreinen voor de periode tot 2015. Ook in de tweede fase bleek de integrale en interactieve aanpak in de ogen van de Commissie tot goede resultaten te leiden en voor navolging in aanmerking te komen.

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. prof. dr. ir. R.E.C.M. van der Heijden
dhr. G.F.W. Herngreen
dhr. ir. W.H.A.M. Keijsers
dhr. drs. A. van Leerdam
dhr. prof.dr.ir. F.M. Maas

Voorzitter: dhr. dr.ir. G. Blom
Werkgroepsecretaris: mw. drs. M. van Eck

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Provincie Flevoland

Bevoegd gezag
Provincie Flevoland

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Flevoland


Categorieën Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
C11.1 tot 1-4-2011: Bouw >= 4000 woningen binnen, of >= 2000 woningen buiten bebouwde kom
C11.2 tot 1-4-2011: Aanleg bedrijventerrein >= 150ha

Bijgewerkt op: 10 jul 2018