952. Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR)

De Ministeries van EZ, LNV, VROM en V&W zijn gezamenlijk initiatiefnemer voor de realisatie van het havengebied Tweede Maasvlakte voor de Noordzeekust, ter hoogte van de huidige Maasvlakte tussen Oostvoorne en Hoek van Holland. Onderdeel van het voornemen zijn (milieu)maatregelen in het bestaande Rotterdamse havengebied (BRG) en 750 hectare natuur- en recreatiegebied rond Rotterdam.

Procedure en adviezen

Richtlijnen
07-05-1998 Datum kennisgeving
07-05-1998 Ter inzage legging van de informatie
15-07-1998 Advies uitgebracht
Richtlijnen a
25-10-1998 Advies uitgebracht
Richtlijnen b
03-10-2000 Advies uitgebracht
Richtlijnen b
Toetsing b
22-12-2000 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsing b
Toetsing c
28-05-2001 Kennisgeving MER
28-05-2001 Ter inzage legging MER
Toetsing d
30-10-2001 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsing e
03-07-2006 Kennisgeving MER
03-07-2006 Ter inzage legging MER
24-08-2006 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsing e

Opmerkingen bij de advisering

Ten behoeve van de besluitvorming over de "PKB+" is de m.e.r.-procedure gevolgd. Voor de PKB+ geldt als uitgangspunt de zogenoemde ‘dubbele doelstelling’ die stelt dat de positie van de mainport Rotterdam wordt versterkt en de kwaliteit van de leefomgeving in Rijnmond wordt verbeterd door de mo gelijkheden te benutten die het oplossen van het ruimtetekort biedt.

Ten behoeve van deze m.e.r. heeft de Commissie al vier keer eerder een advies uitgebracht, namelijk een advies voor richtlijnen op 15 juli 1998, een advies over de voorlopige conceptricht lijnen op 25 november 1998, een advies over het tweede concept richtlijnen op 3 oktober 2000 en een advies over de Bijlage Natuur en Recreatie Landaanwinning op 22 december 2000.

Richtlijnenadviezen

In het advies van juli 1998 constateerde de Commissie dat in de startnotitie de uitwerking van het doel om de kwaliteit van de leefomgeving te ver beteren nog ontbrak. De leefomgevingscriteria tezamen vormen het kader voor het toetsen van de alternatieven aan het leefomgevingsdoel. De Commissie deed daarom in haar advies de aanbeveling om in de richtlijnen voor het MER alsnog een toetsingskader vast te stellen.

In oktober 1998 vroeg de minister van Verkeer en Waterstaat (V&W) aan de Commissie om te adviseren over  (voorlopige) conceptrichtlijnen, tijdens de consultatieronde over de Interim-rapportage PMR: ‘PMR op Koers’. De Commissie gaf aan dat duidelijk moet worden wat doorgeschoven wordt naar latere inrichtings-MER’en. Verder constateerde de Commissie dat er twee hoofdgroepen van alternatieven zijn, namelijk die waarbij de aanleg van een tweede Maasvlakte uitgangspunt is en die waarbij deze aanleg (grotendeels) overbodig is door gebruik te maken van de mogelijkheden in Zuidwest-Nederland en het bestaande Rijnmondgebied. Tot slot vroeg de Commissie aandacht voor het afwegingskader voor leefomgeving en voor natuurcompensatie.

In 1999 en de eerste helft van 2000 is door het kabinet een aantal voorlopige keuzen gemaakt, die worden beschreven in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het besluitvormingsproces werd opnieuw ingericht, waarbij onderscheid werd gemaakt in het  spoor van de ruimtelijke ordening en het projectontwikkelingsspoor. Geconcludeerd werd dat de de ruimte in Zuidwest-Nederland en in het be staand Rotterdams havengebied, ook na intensievere benutting, op ter mijn ontoereikend is voor de maatschappelijk noodzakelijk geachte op vang van deepsea-gebonden activiteiten. Het project werd daarop opgedeeld in drie deelprojecten om de dubbele doelstelling van PMR te realiseren, resp. realiseren land aanwinning, creatie van 750 hectare natuur- en recreatiegebied en een pakket maatregelen in bestaand Rotterdams gebied.

In het derde richtlijnenadvies van oktober 2000 geeft de Commissie aan dat de dan bestaande conceptrichtlijnen op enkele punten aangevuld moeten worden, met betrekking tot de onderbouwing van de locatie, de uitwerking van de belevingsaspecten, maatregelen om het ‘dubbeldoel’ te halen, natuurcompensatie, waarborgen van het behalen van de doelen en de koppeling met de kosten-batenanalyse.  Ook deed de Commissie suggesties hoe m.e.r. effectief een rol kan spelen in de gewenste PPS-constructie.

Toetsingsfase

Tijdens de toetsing constateerde de Commissie op drie punten ontbrekende informatie. Het MER beschrijft weinig maatregelen voor het verbeteren van de leefomgeving in Rijnmond wat betreft de luchtkwaliteit, terwijl dit in de beleving van bewoners een van de belangrijkste problemen is. Verder wordt niet alleen beslist over de locaties van de te realiseren 750 ha groen en recreatie, maar ook over de invulling van het te realiseren landschap op die locaties. Alternatieven hiervoor zijn echter niet beschreven, terwijl uit de inspraak blijkt dat dit voor burgers een belangrijk punt is. Voor de zandwinning voor de landaanwinning wordt besloten dat deze in een bepaald zoekgebied kan plaatsvinden, omdat uit het MER zou blijken dat dit ‘zonder onacceptabele milieugevolgen’ mogelijk is. De Commissie is van mening dat dit op basis van de huidige modellen niet met zekerheid te concluderen is.

Op deze drie punten is vervolgens aanvullende informatie verstrekt. Hieruit blijkt dat maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren wel worden genomen, maar niet in het kader van PMR. De constateringen van de Commissie over landschap en zandwinning worden beaamd en voorgesteld wordt om op deze punten de voorgestelde besluitvorming te wijzigen. Invulling van het landschap zal pas later worden beslist. Zandwinning wordt alleen toegestaan indien uit het uitvoeringsm.e.r. blijkt dat dit zonder nadelige effecten op beschermde gebieden kan. Inclusief de aanvulling is het MER hiermee voldoende als onderbouwing voor de besluitvorming in de PKB.

Een aandachtspunt is de conclusie in de PKB dat het dubbele doel is gehaald door het verbeteren van vooral groenvoorziening en geluidsituatie. De Commissie constateert dat de validiteit van deze conclusie door haar niet kan worden getoetst. Dit omdat – ondanks het derde richtlijnenadvies van de Commissie – de uitgangspunten voor het toetsen aan het dubbeldoel niet duidelijk van tevoren zijn aangegeven. De onderbouwing is daarmee vooral subjectief en daarmee niet toetsbaar.

Herstel SMB PKB+ 

De afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het eerdere kabinetsbesluit PKB+ PMR deel 4 vernietigd. Het kabinet heeft daarop besloten deze PKB te herstellen, hetgeen wordt gecoördineerd door het ministerie van Verkeer en Waterstaat (V&W). Op deze herstelde PKB is de Europese Richtlijn Strategische Milieubeoordeling (SMB) van toepassing. De Commissie werd gevraagd de SMB te beoordelen, alsmede de passende beoordelingen voor Natura2000, waaronder de Waddenzee en de Voordelta.

Bij de beoordeling van de SMB concentreerde de Commissie zich op de aanbevelingen voor de volgende stappen in de informatievoorziening. De Commissie oordeelde dat de SMB duidelijk maakt bij welke (milieu)aspecten zich knelpunten voordoen en bevat een aanzet hoe de projectorganisatie PMR daar in wil gaan voorzien. De Commissie geeft met name aanbevelingen voor de volgende stappen in de informatievoorziening omtrent het thema luchtkwaliteit. Of aan de normen van het Besluit luchtkwaliteit kan worden voldaan dient nog te worden gekwantificeerd en meer details zijn nodig over het maatregelenpakket ter compensatie van toename van luchtverontreiniging.

Voor de passende beoordeling voor de Waddenzee is volgens de Commissie gebruik gemaakt van de state-of-the-art voor modelontwikkeling en -gebruik, data-analyse en expert judgement. De rapporten geven een verantwoord beeld van de mogelijke effecten door landaanwinning op de Noordzeekustzone en Westelijke Waddenzee voor slibaanvoer, transport van nutriënten en vislarven. Zonder afbreuk te willen doen aan de eindconclusies van de deelstudies, heeft de Commissie een aantal kanttekeningen bij inhoudelijke keuzen en formuleringen. De Commissie raadt aan om deze kanttekeningen in de eindredactie van de passende beoordelingen te verwerken tot eenduidige, juiste en complete formuleringen. De passende beoordeling dient de logische synthese te zijn van de onderliggende informatiestappen.

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. ir. A.N. Bleijenberg
dhr. ir. H.S. Buijtenhek
dhr. dr. J.F. Coeterier
dhr. ir. J.M.W. Dings
mw. mr. dr. A. Freriks
dhr. prof. dr. P. Hoekstra
dhr. ir. W.H.A.M. Keijsers
dhr. drs. R.H.D. Lambeck
dhr. dr. K. Leidelmeijer
dhr. ir. K.A.A. van der Spek
dhr. drs. G. de Zoeten

Voorzitter: mw. drs. L. van Rijn-Vellekoop
Werkgroepsecretaris: dhr. ir F.D. Dotinga

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Ministerie van Economische Zaken
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Rijkswaterstaat
Ministerie van Volkhv., R.O. en Milieubeheer

Bevoegd gezag
Ministerraad

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Zuid-Holland


Categorieën Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
C04.1 tot 1-4-2011: Aanleg haven, of laad- en lospier voor schepen >= 1350ton
C13.0 tot 1-4-2011: Landaanwinning, droogmakerij, indijking >= 200ha

Bijgewerkt op: 10 jul 2018