ECLI:NL:RBROT:2021:11324

Betreft Omgevingsvergunning windpark Hartelbrug II
Datum uitspraak 19-11-2021
Rechtsprekende instantie  Rechtbank
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig (tussenuitspraak)
Trefwoorden windturbineparken, geluid, Activiteitenbesluit, m.e.r.-beoordeling, cumulatieve effecten, Rotterdam
Bronnen vindplaats ECLI:NL:RBROT:2021:11324

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Het bevoegd gezag mag bij een m.e.r.-beoordeling uitgaan van metingen van de situatie ter plaatse om te bepalen of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
  • In een m.e.r.-beoordeling moet gemotiveerd worden of de windturbines van een windturbinepark afzonderlijk of juist gezamenlijk de geluidbelasting voor woningen bepalen en hoe de uitgevoerde geluidberekeningen hierop aansluiten.
  • In een m.e.r.-beoordeling hoeven alleen de criteria uit art. 7.17 Wet milieubeheer en bijlage III bij de M.e.r.-richtlijn te worden uitgewerkt die voor het besluit relevant zijn.
  • Een m.e.r.-beoordeling hoeft niet in te gaan op de inhoudsvereisten aan een milieueffectrapport uit art. 7.23 Wm en bijlage IV bij de M.e.r.-richtlijn.

Casus

Vergunninghoudster is de exploitant van het windpark Hartelbrug II in het Rotterdamse havengebied. Het park bestaat uit acht windturbines met een ashoogte van 99 meter, een tiphoogte van 150 meter en een rotordiameter van 101 meter. De windturbines hebben een vermogen van 3 MW. Ze staan in een lijn opgesteld op de noordelijke oever van het Hartelkanaal en zijn in 2014 gebouwd. De omgevingsvergunning voor het park is door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam op 12 maart 2014 vernietigd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd op 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:625. Op 3 juli 2017 is een nieuwe omgevingsvergunning verleend. Deze is ook in twee instanties vernietigd.
Verweerder heeft daarna opnieuw op de aanvraag besloten en aan het besluit, conform artikel 7.20a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm), voorschriften verbonden. Deze zijn gebaseerd op de m.e.r.-beoordelingsnotitie van november 2020. Ze bestaan uit het verplicht terugregelen van het vermogen van de turbines tijdens de nachtperiode bij specifieke windrichtingen. Deze zogeheten Reduced Power Mode (RPM) is vastgelegd in een tabel die onderdeel is van de omgevingsvergunning. De instellingen uit de RPM zijn in de praktijk gecontroleerd en geanalyseerd door DCMR met als doel na te gaan hoe vaak en hoe lang zich overschrijdingen van de streefwaarde voordoen. Geconcludeerd wordt dat met de voorschriften is gewaarborgd dat geen belangrijke milieugevolgen op het gebied van geluid zullen optreden.
Eisers stellen dat ondanks de voorschriften nadelige gevolgen voor het milieu optreden, in het bijzonder op het punt van het geluid. Eisers stellen verder dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Eisers wijzen daarnaast op de cumulatieve hinder van het toekomstige park Brielse Maasdijk met het nu vergunde windpark Hartelbrug II. Als laatste hebben eisers via een brief van 6 september 2021 (twee weken voor de zitting), onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395, aangevoerd dat verweerder vanwege het ontbreken van een milieubeoordeling niet kan terugvallen op de rechtstreeks werkende windturbinebepalingen in het Activiteitenbesluit.

Overwegingen van de bestuursrechter
Rechtstreeks werkende windturbinebepalingen Activiteitenbesluit
Artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet verbiedt niet dat na afloop van de beroepstermijn een aanvulling op de ingediende beroepsgronden wordt ingediend, maar vormt wel een beletsel voor de indiening van nieuwe beroepsgronden. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond geen aanvulling van de binnen de beroepstermijn aangevoerde beroepsgronden is. Eiseressen hebben in het beroepschrift immers aangevoerd dat er nadelige gevolgen voor het milieu optreden, omdat de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften niet leiden tot het beoogde beschermingsniveau. De rechtbank zal deze door eisers ingediende (nieuwe) beroepsgrond daarom niet bij de beoordeling betrekken.

Verhouding windsnelheid op ashoogte en windsnelheid op 10 meter
Uit (de toelichting op) het m.e.r.-beoordelingsbesluit blijkt dat als streefwaarde voor het voorkomen van geluidshinder in de nachtperiode de zogeheten WNC35-curve is gebruikt. Dat is de windnormcurve met een gemiddeld geluidsniveau van 35 dB(A). Aan de hand van lokale metingen uit het verleden (uit de periode tussen 1 juni 2016 en 29 juni 2017) is bepaald hoe vaak en hoe lang de streefwaarde wordt overschreden. De windmeter was opgesteld bij het transformatorstation van het windpark aan de Clydeweg, circa 260 meter ten oosten van windpark Hartelbrug II. De windsnelheden op ashoogte zijn op de windturbines zelf gemeten (met de anemometer op de gondel).
De rechtbank stelt voorop dat het geluidsonderzoek, waartegen eisers bezwaren hebben, geen rol (meer) speelt bij het bestreden besluit en het m.e.r. beoordelingsbesluit. Uit (de toelichting op) het m.e.r.-beoordelingsbesluit, het verweerschrift en de zitting blijkt dat DCMR gekozen heeft voor een andere beoordelingssystematiek. Met deze beoordelingssystematiek, die is gebaseerd op lokale windmetingen, is gekeken hoe vaak en hoe lang een streefwaarde wordt overschreden met de in de aanmeldingsnotitie beschreven maatregelen. Op basis daarvan is beoordeeld of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De beroepsgronden over het geluidsonderzoek zijn daarom niet langer relevant.

Geluidsbijdragen windturbines afzonderlijk
Uit de notitie van eisers blijkt dat de conclusie van DCMR met betrekking tot de overschrijding van de streefwaarden onjuist is, omdat bij deze berekeningen alleen de geluidsbijdrage van elke windturbine apart is meegeteld. DCMR heeft bij de berekeningen van de overschrijding van de streefwaarden inderdaad alleen de geluidsbijdrage van elke windturbine afzonderlijk meegeteld. In het besluit heeft verweerder niet gemotiveerd hoe dit standpunt zich verhoudt tot het standpunt van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) hierover. De StAB heeft in haar verslag opgenomen dat de geluidsbelasting bij de woningen wordt bepaald door de 8 windturbines gezamenlijk. Dit klemt ook omdat de deskundige M+P hierop heeft gewezen. Verweerder had moeten onderbouwen dat de door eisers overlegde berekening niet leidt tot meer overschrijdingen van streefwaarden van de WNC35-curve dan de overschrijdingen die volgen uit de conclusies van DCMR. Het besluit is op dit punt dan ook niet voldoende gemotiveerd.

Inhoudsvereisten m.e.r.-beoordeling
De rechtbank oordeelt dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit voldoet aan artikel 7.17 van de Wm en bijlage III bij de gewijzigde M.e.r.-richtlijn. Anders dan eisers hebben gesteld hoeft verweerder in het m.e.r.-beoordelingsbesluit niet alle criteria uit bijlage III bij de Richtlijn uit te werken. Verweerder kon volstaan met de criteria die voor dit besluit relevant zijn. Verder zijn artikel 7.23 van de Wm en bijlage IV bij de M.e.r.-richtlijn (en de daarin genoemde eisen) voor het m.e.r.-boordelingsbesluit niet van belang. Dit artikel is alleen van toepassing als een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Wat betreft de mogelijke cumulatieve hinder van het toekomstige park Brielse Maasdijk heeft verweerder er terecht op gewezen dat voor dit park nog geen besluiten zijn genomen. Het bevoegd gezag kon bij de besluitvorming dan ook geen rekening houden met dit toekomstige park.

Uitspraak
De rechtbank stelt het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid om het gebrek te herstellen binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak en houdt iedere verdere beslissing aan.