ECLI:NL:RVS:2011:BQ4918

Betreft Golfbaan Hoogland West
Datum uitspraak 13-05-2011
Rechtsprekende instantie  Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Voorlopige voorziening
Trefwoorden golfterreinen, Amersfoort, overgangsrecht, besluit-MER, gevoelig gebied, natuur, milieueffectrapportage-richtlijn (m.e.r.-richtlijn)
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201101507/2/R2

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Per 1 april 2011 zijn golfbanen niet langer m.e.r.-plichtig (‘C-lijst’) dan wel m.e.r.-beoordelingsplichtig (‘D-lijst). Per die datum is het Besluit mer aangepast en staan golfbanen als zodanig noch op de C-lijst noch op de D-lijst. Dit is niet in strijd met het Europese recht. Zie voor het overgangsrecht ook de memo van InfoMil over overgangsregels bij het Besluit mer dat op 1 april 2011 in werking trad.
  • Indien een besluit voor 1 april 2011 is genomen en ten onrechte geen m.e.r.-(beoordeling) is gedaan, zou het besluit (ook in een beroep na 1 april 2011) eigenlijk vernietigd moeten worden. Maar uit praktische overwegingen zou de rechter de rechtsgevolgen in stand kunnen laten. Dit zou betekenen dat de activiteit mag doorgaan.

NB Kennelijk was hier wel een m.e.r.-beoordelingsaanmeldingsnotitie opgesteld. Hier wordt verder niet op ingegaan.

Let op: Het gaat hier om een voorlopig oordeel van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Casus

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de gemeenteraad van Amersfoort het bestemmingsplan "Golfbaan Hoogland West" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben Behoud de Eemvallei en De Vogelwacht beroep ingesteld. Ook hebben zij een verzoek tot voorlopige voorziening gedaan. Zij verwachten dat het vaststellingsbesluit in de bodemprocedure zal worden vernietigd. Volgens hen is onder meer ten onrechte geen MER opgesteld, wordt in strijd gehandeld met de Habitat- en Vogelrichtlijn omdat diverse dier- en plantensoorten worden aangetast, en is het plan in strijd met gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid.

Overwegingen van de voorzitter
De voorzitter stelt voorop dat de veelomvattende bezwaren van Behoud de Eemvallei en De Vogelwacht onderzoek vergen waartoe de onderhavige voorzieningenprocedure zich niet leent. Wel overweegt de voorzitter dat vooralsnog in hetgeen door appellanten is aangevoerd geen aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat de raad in strijd handelt met het recht. Hiertoe overweegt de Voorzitter onder meer dat:

  • voor de aanwezigheid van een groot aantal plant- en diersoorten in het plangebied, zoals door verzoekers gesteld, geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden in de natuurrapporten. Ook blijkt dat het plan kan worden uitgevoerd zonder dat een ontheffing nodig is ingevolge de Flora- en faunawet;
  • het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Arkemheen op ongeveer vier kilometer afstand van het plangebied en het Natura 2000-gebied Eemmeer en Gooimeer Zuidoever op ongeveer acht kilometer ligt zodat geen invloed van de aanleg van de golfbaan op deze gebieden valt te verwachten;
  • er geen strijd is met hoger beleid.

Over de m.e.r. grond overweegt de Voorzitter het volgende:

  • wat betreft het ontbreken van een MER is ter zitting niet komen vast te staan of en zo ja, welk deel van het plangebied kwalificeert als gevoelig gebied als bedoeld in onderdeel A van het Besluit m.e.r. 1994. Hierdoor is niet komen vast te staan of de ten tijde van het nemen van het besluit toepasselijke drempelwaarde voor een golfbaan van 20 hectare in gevoelig gebied is overschreden, in welk geval ten onrechte geen MER zou zijn opgesteld;
  • nu echter met ingang van 1 april 2011 het Besluit mer zodanig is gewijzigd, dat daarin niet langer de verplichting is opgenomen een MER op te stellen voor golfbanen, bestaat onvoldoende aanleiding reeds hierom tot schorsing van het bestreden besluit over te gaan. Hiertoe overweegt de Voorzitter dat bij een eventuele vernietiging van het besluit om deze reden naar verwachting de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten. Dit is zo, aldus de Voorzitter omdat als het besluit wel vernietigd zou worden en een nieuw besluit zou worden genomen er geen m.e.r.(beoordelings-)plicht meer zou gelden;
  • dit is in overeenstemming met het overgangsrecht en er volgt niet uit de Europese M.e.r.-richtlijn een rechtstreekse m.e.r.(-beoordelings)plicht.

Uitspraak
Om andere redenen dan de hiervoor gemelde, wordt het vaststellingsbesluit geschorst. Inmiddels is de schorsing opgeheven (Vz ABRvS 11 augustus 2011, zaaknr. 201101507/3/R2).