ECLI:NL:RVS:2011:BU7100

Betreft A Besluit Lelystad
Datum uitspraak 07-12-2011
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden luchthavens, Lelystad, Luchtvaartwet
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 200909551/1/R1

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Een aanwijzingsbesluit op grond van de Luchtvaartwet (ook wel A-besluit) kan pas worden vastgesteld als de aan- en uitvliegroutes waarvan in het MER is uitgegaan, zijn vastgesteld.

NB Deze uitspraak is gedaan onder oud recht. Relevante bepalingen in deze uitspraak zijn in het huidige recht vervallen.

Klik hier voor projectinformatie (P2125).

Casus

Op 16 oktober 2009 heeft de minister van V&W in overeenstemming met de minister van VROM het luchtvaartterrein Lelystad Airport aangewezen (hierna: het A-besluit) (art. 18 en 23 Luchtvaartwet (Lvw).
Op dezelfde dag heeft de minister van VROM, in overeenstemming met de minister van V&W, een besluit tot aanwijzing gegeven als bedoeld in art. 4.4, eerste lid onder a Wro (in samenhang met artikel 26 Lvw).
Het A-besluit heeft als doel een (geleidelijke) ontwikkeling van Lelystad Airport tot een winstgevende luchthaven met positieve economische effecten voor de omgeving mogelijk te maken. Ook is het de bedoeling om lichtere segmenten van de general aviation (ongeregelde vluchten) te verplaatsen van Schiphol Airport naar Lelystad Airport. Bovendien beoogt het A-besluit lijnverbindingen naar Europese bestemmingen met passagiersvliegtuigen van beperkte omvang op te zetten. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken is gekozen voor het meest milieuvriendelijke alternatief (hierna: mma) uit het MER.

Het ruimtelijk besluit verlangt dat de gemeenteraden van Lelystad, Dronten en Zeewolde voor de gronden waarop het A-besluit betrekking heeft, binnen een jaar na inwerkingtreding van beide besluiten bestemmingsplannen moeten vaststellen. Deze moeten in overeenstemming zijn met de inhoud en voorschriften van het A-besluit.

De beroepsgronden richten zich onder meer op de vastlegging van de aan- en uitvliegroutes:

  • De routestructuur voor het Ke-verkeer (Ke is een geluidmaat voor grote vliegtuigen) is ten onrechte niet vastgelegd, waardoor handhaving hiervan niet mogelijk is.
  • Niet verzekerd is dat de aan- en uitvliegroutes waar in het MER en in de besluitvorming vanuit is gegaan, zullen worden gevolgd. Evenmin is verzekerd dat in de toekomst geen andere routes zullen worden gevlogen. In die gevallen zou de informatie uit het MER nutteloos zou zijn.
  • Hoewel de aan- en uitvliegroutes bepalend zijn geweest voor de besluitvorming (onder meer vanwege de geluidzones en de keuze voor het mma), had duidelijkheid moeten worden geboden over de precieze situering en verankering van de vliegroutes. Dit ook vanuit het oogpunt van rechtsbescherming. Dat, zoals de minister stelt, de aan- en uitvliegroutes niet zijn vastgelegd omdat deze geen onderdeel van de bestreden besluiten vormen, kan niet worden gevolgd omdat in het MER uitvoerig aandacht is besteed aan deze routes. Het MER en het A-besluit kunnen niet los worden gezien van de vliegroutes.

De minister stelt zich op het standpunt dat vliegroutes geen onderdeel uitmaken van het A-besluit. Deze worden neergelegd in de Regeling Luchtverkeersdienstverlening en Regeling procedures en in de Aeronautical Information Publication (hierna: AIP).

Overwegingen van de bestuursrechter
Op grond van de Lvw moet het ontwerpbesluit in ieder geval een plan in hoofdzaak voor de aanleg en het gebruik van het luchtvaartterrein bevatten. Daarin moet in ieder geval de ligging van de banen met de daarbij behorende aan- en uitvliegroutes zijn aangegeven.

Voorop staat dat de gevolgen van het A-besluit niet alleen moeten worden beoordeeld aan de hand van de daarin opgenomen geluidzones en voorschriften. Deze gevolgen moeten ook worden beoordeeld aan de hand van de gevolgen die direct voortvloeien uit het (gewijzigde) gebruik van de luchthaven dat het A-besluit mogelijk maakt. Niet in geschil is dat de aan- en uitvliegroutes daarbij een grote rol spelen. Uit de twee in het MER beoordeelde alternatieven, is in het A-besluit voor het mma gekozen.

In een eerdere uitspraak van de Afdeling (ABRvS 13 februari 2008, zaaknr. 200606822/1) over Lelystad Airport is overwogen dat de routestructuur geen onderdeel uitmaakt van het A-besluit, maar dat deze wel in het MER moet worden onderzocht. In die zaak is echter ook beoordeeld of de minister bij de vaststelling van het A-besluit in redelijkheid van de routes zoals onderzocht in het MER heeft kunnen uitgaan. Op het moment dat dat A-besluit werd genomen, waren de routes vastgelegd. De routes waren toen dus voldoende gewaardborgd.

Op het moment van de vaststelling van het onderhavige A-besluit waren de aan- en uitvliegroutes, waarvan in het MER is uitgegaan, nog niet de door de minister vastgesteld. Ook tijdens de zitting lagen de aan- en uitvliegroutes nog niet vast. Bovendien is gebleken dat deze vaststelling ook niet op korte termijn wordt verwacht. In dit geval ontbreekt dus de waarborg zoals hierboven bedoeld.

Vanwege de tekst van de Lvw en de gevolgen die de aan- en uitvliegroutes kunnen hebben, hadden deze routes vast moeten staan op het moment van de vaststelling van het A-besluit. Als deze dan nog niet vaststaan, is het immers niet zeker via welke routes daadwerkelijk zal worden gevlogen. Zodoende is het dan niet mogelijk de gevolgen van het A-besluit vast te stellen en te beoordelen.
Dat in het MER van de voorgenomen aan- en uitvliegroutes is uitgegaan, is niet voldoende. Hoewel in het A-besluit is gekozen voor het mma, liggen de betreffende aan- en uitvliegroutes niet vast. Dit betekent dat ook van andere routevoorstellen gebruik kan worden gemaakt.
De verklaring van de minister dat volgens deze aan- en uitvliegroutes zal worden gevlogen biedt onvoldoende zekerheid. Zeker nu de minister heeft verklaard dat bij de definitieve vaststelling van de routes waarschijnlijk enkele wijzigingen zullen plaatsvinden.

Uitspraak
De minister heeft zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op de voorgestane aan- en uitvliegroutes kunnen baseren. Het beroep wordt op dit punt gegrond verklaard.