ECLI:NL:RVS:2011:BU7101

Betreft Inpassingsplan Agro en Food Cluster
Datum uitspraak 07-12-2011
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden inpassingsplan, glastuinbouw, bedrijventerreinen
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201009385/1/R3

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Afwijkingen van het plan (of het project) en het MER ten opzichte van de startnotitie zijn in beginsel toegestaan, mits het MER redelijkerwijs aan het plan ten grondslag kan worden gelegd.
  • Als leemten in kennis worden aangegeven en onderbouwd, heeft dit niet tot gevolg dat een MER gebrekkig is.
  • Het gebruik maken van een worst-case benadering in de situatie dat bij het vaststellen van een plan de milieugevolgen die dat plan veroorzaakt nog niet precies bekend zijn, betekent niet dat een MER gebrekkig is. In dit geval werd uitgegaan van bedrijven uit de in het gebied maximaal toegestane milieucategorie.
  • Onder autonome ontwikkeling moet niet worden verstaan de mogelijkheden die het hiervoor geldende bestemmingsplan bood, maar de ontwikkelingen die los van de realisatie van het project dat het plan mogelijk maakt, kunnen en zullen worden gerealiseerd.

Klik hier voor projectinformatie (P2012).

Casus

Op 9 juli 2010 hebben provinciale staten het inpassingsplan ‘Inpassingsplan Agro & Food Cluster West-Brabant’ vastgesteld. Dit plan maakt de ontwikkeling van de zogeheten Agro & Foodcluster (AFC) in West-Brabant mogelijk. Het plangebied omvat een glastuinbouwgebied van ongeveer 220 ha, een bedrijventerrein van ongeveer dezelfde grootte en enkele weilanden ten zuiden van het glastuinbouwgebied. Van het bedrijventerrein is 49 ha bestemd voor nieuw te realiseren bedrijven. Het overige deel behoort toe aan de Suiker Unie. Dit gebied wordt gescheiden door het Mark-Vlietkanaal: ten oosten ligt de suikerfabriek met bijbehorende gebouwen en ten westen liggen de zogeheten vloeivelden.

Appellanten voeren onder meer de volgende beroepsgronden aan:

  • Het vastgestelde plan en het MER stemmen niet overeen met hetgeen in de startnotitie voor het MER is vermeld. In de startnotitie is niet vermeld dat de milieugevolgen van het realiseren van windturbines zouden worden onderzocht.
  • Het MER is gebrekkig omdat daarin niet een uitvoeriger model is gebruikt voor de berekening en beoordeling van de lichtverspreiding.
  • Niet duidelijk is welke milieubelasting vanwege het bedrijventerrein zal optreden. In de planregels staat dat waar categorie 3 wordt vermeld, daar ook de categorieën 3.1 en 3.2 onder moeten worden begrepen. Dit betekent dat geen rekening is gehouden met de diverse milieueffecten. Hetzelfde geldt voor categorie 4- en 5-bedrijven.
  • In de plantoelichting is niet duidelijk gemaakt wat wordt bedoeld met ‘autonome ontwikkeling’. Hierdoor zijn de deelonderzoeken (luchtkwaliteit, geluidbelasting, externe veiligheid en geur) niet representatief. Als autonome situatie moet worden aangemerkt de situatie waarin alleen rekening wordt behouden met de mogelijkheden die het hiervoor geldende bestemmingsplan bood.

Overwegingen van de bestuursrechter

Afwijking MER ten opzichte van startnotitie
De startnotitie is een eerste stap in de te volgen procedure voor het maken van een MER. Aanvullingen op de beschikbare informatie zijn niet ongebruikelijk en in beginsel toegestaan. In de richtlijnen voor het MER is aangegeven dat ook de milieugevolgen van het realiseren van windturbines moest worden onderzocht. Hieraan heeft de initiatiefnemer uitvoering gegeven. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zodanig gewijzigd is vastgesteld dat de uitkomsten van het MER niet redelijkerwijs aan het plan ten grondslag hadden kunnen worden gelegd.

Lichtverspreiding
In de Wet milieubeheer is bepaald dat een MER een overzicht moet bevatten van de leemten in de beschrijvingen van de gevolgen voor het milieu die de voorgenomen activiteit kan hebben, als gevolg van het ontbreken van de benodigde gegevens. Om hieraan te voldoen staat in hoofdstuk 3 van de aanvulling op het MER dat goede en wetenschappelijk onderbouwde rekenmodellen en dosis-effectrelaties voor het berekenen en beoordelen van de verlichting vanuit de glastuinbouwgebieden, ontbreken. Verder staat in het MER dat dit kan worden aangemerkt als een leemte in kennis. De Commissie m.e.r. heeft geoordeeld dat in het MER en de aanvulling daarop de essentiële informatie aanwezig is. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat desondanks het MER op dit punt gebrekkig is.

Onduidelijke milieubelasting
Bij het vaststellen van een plan is vaak nog niet precies duidelijk hoe het plangebied concreet wordt ingevuld. Datzelfde geldt voor de omvang van de milieubelasting die het plan veroorzaakt.
Het MER vermeldt dat bij het onderzoek naar de milieugevolgen is uitgegaan van een volledige invulling van de deelgebieden met bedrijven uit de in dat deelgebied maximaal toegestane milieucategorie (worst-case benadering). Daarom is er geen grond voor het oordeel dat het onderzoek naar de diverse milieugevolgen vanwege het bedrijventerrein onzorgvuldig is geweest.

Autonome ontwikkelingen
In de plantoelichting is omschreven welke activiteiten en ontwikkelingen tot de autonome ontwikkelingen op het terrein van de Suiker Unie behoren respectievelijk waar het nieuw op te richten bedrijventerrein zal komen en welke activiteiten zullen plaatsvinden op dit terrein. In het MER en de verschillende deelonderzoeken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, is als uitgangspunt gehanteerd dat met de autonome ontwikkelingen worden bedoeld de ontwikkelingen op het terrein van de Suiker Unie dan wel ten behoeve van de Suiker Unie die los van de realisatie van het bedrijventerrein welke het plan mogelijk maakt, kunnen en zullen worden gerealiseerd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het MER en de genoemde deelonderzoeken naar de te verwachten milieugevolgen van het plan van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

Uitspraak
Bovengenoemde beroepsgronden werden verworpen, maar vanwege andere beroepsgronden is het besluit vernietigd.