ECLI:NL:RVS:2011:BU7874

Betreft Noblesse Proteins
Datum uitspraak 14-12-2011
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden milieuvergunningen, m.e.r.-beoordelingsplicht
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201006895/1/M1

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Ook een inrichting waar uitsluitend laag-risico-materiaal wordt verwerkt, valt onder categorie D39.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
  • Voor de inhoud van de m.e.r.-beoordeling maakt het niet uit op grond van welke categorie de m.e.r.-beoordeling plaatsvindt.
  • In een m.e.r.-beoordeling hoeft niet te worden beoordeeld of alternatieve locaties meer geschikt zijn voor de betreffende activiteit.

Casus

Op 1 juni 2010 heeft het college van GS van Drenthe aan Noblesse Proteins B.V. (hierna: Noblesse) een Wm-vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het verwerken van dierlijke bijproducten die vrijkomen bij het slachten van pluimvee op het perceel Ambachtsweg 7 te Wijster.
Appellanten betogen onder andere dat het college voorafgaand aan de vergunningverlening een m.e.r.-beoordeling hadden moeten doen. Volgens één appellant moet de term "inrichting bestemd voor de destructie van dieren" in categorie D39.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. worden uitgelegd als inrichting voor de destructie van dieren als bedoeld in artikel 5 van de Destructiewet (oud). Dit betekent dat ook inrichtingen waarin uitsluitend laag-risico-materiaal wordt verwerkt, zoals bij Noblesse het geval is, onder categorie D39.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. vallen, aangezien artikel 5 van de Destructiewet (oud) ook ziet op inrichtingen waarin dergelijk materiaal wordt verwerkt. Volgens andere appellanten is de inrichting een inrichting als bedoeld in categorie D35 (een inrichting voor de vervaardiging van plantaardige en dierlijke oliën en vetten) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Hoewel de in categorie D35 opgenomen drempelwaarde niet wordt overschreden, had het college rekening moeten houden met andere factoren als bedoeld in bijlage III van de M.e.r.-richtlijn die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
Volgens het college kan de inrichting van Noblesse niet worden aangemerkt als inrichting voor de destructie van dieren, omdat bij Noblesse alleen laag-risico-materiaal (categorie 3-materiaal) wordt verwerkt. Het college verwijst in dit verband mede naar de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. Uit het feit dat in de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. is vermeld dat slechts twee van dergelijke inrichtingen in Nederland bestaan, leidt het college af dat is beoogd categorie D39.2 alleen te laten gelden voor inrichtingen waarin hoog-risico-materiaal wordt verwerkt.

Overwegingen van de bestuursrechter

M.e.r.-beoordelingsplicht
In de omschrijving van de activiteiten in categorie D39.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is geen verwijzing naar artikel 5 van de Destructiewet (oud) opgenomen. Uit de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. blijkt dat inrichtingen als bedoeld in categorie D39.2, onafhankelijk van de capaciteit, een belangrijke stankoverlast veroorzaken die een m.e.r.-beoordelingsplicht in alle gevallen rechtvaardigt. De nota van toelichting noch de tekst van categorie D39.2 geven aanleiding voor het oordeel dat inrichtingen waarin uitsluitend laag-risico-materiaal, in dit geval categorie 3-materiaal, wordt verwerkt in dit geval wezenlijk verschillen van uitsluitend hoog-risico-materiaal.
Gelet hierop oordeelt de Afdeling dat bij de uitleg van het begrip "inrichting bestemd voor de destructie van dieren" in categorie D39.2 aansluiting moet worden gezocht bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit en de Destructiewet (oud). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 december 2004 in zaaknr. 200401590/1) valt een inrichting waarin laag-risico-materiaal wordt verwerkt, onder artikel 5 van de Destructiewet (oud).
Omdat vaststaat dat de vergunde inrichting onder artikel 5 van de Destructiewet (oud) valt, is sprake van een inrichting als bedoeld in categorie D39.2. Hieruit volgt dat het college ten onrechte geen m.e.r.-beoordeling heeft gemaakt en het besluit in strijd met artikel 7.28, tweede lid, van de Wm genomen.

Het beroep is gegrond. De Afdeling ziet echter aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten, omdat het college bij besluit van 17 januari 2011, naar eigen zeggen onverplicht, op grond van een door Noblesse overgelegde aanmeldnotitie alsnog heeft beslist dat het maken van een milieueffectrapport niet nodig is.

De uitgevoerde m.e.r.-beoordeling
Volgens één van de appellanten gaat de alsnog uitgevoerde m.e.r.-beoordeling er ten onrechte van uit dat de inrichting alleen onder categorie D35 valt, en niet ook onder categorie D39.2. Bovendien zijn in de m.e.r.-beoordeling, net als in de vergunningaanvraag, de gevolgen voor de omgeving vanwege onder meer de emissie van geur en luchtverontreinigende stoffen onderschat. Ook zijn de gevolgen van de inrichting voor de in de omgeving van de inrichting gelegen Natura 2000-gebieden onderschat. Een andere appellant meent tot slot dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties.

Volgens de Afdeling staat vast dat de inrichting ook valt in de zin van categorie 35 van onderdeel D. Hoewel de bij die categorie opgenomen drempelwaarden niet worden overschreden, moet op grond van het arrest van het Europese Hof van Justitie van 15 oktober 2009 (C-255/08) ook worden gekeken naar andere factoren als bedoeld in bijlage III van de M.e.r.-richtlijn die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een MER. Hoewel het college meent dat de factoren in bijlage III van de M.e.r.-richtlijn geen aanleiding geven tot het doen van een m.e.r.-beoordeling, heeft het deze beoordeling wel uitgevoerd. Dat de voor de inrichting aangevraagde activiteiten ook onder categorie D39.2 vallen en ook op grond daarvan een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, maakt niet dat de m.e.r.-beoordeling op een onjuiste grondslag is gebaseerd nu de inrichting tevens een inrichting in de zin van categorie 35 van onderdeel D is.
Het college heeft bij de m.e.r.-beoordeling de aangevraagde activiteiten en de daarbij behorende emissies betrokken. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de emissies van geur en luchtverontreinigende stoffen vanwege de inrichting zijn onderschat. Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn vereist niet dat wordt beoordeeld of alternatieve locaties wellicht meer geschikt zijn voor de aangevraagde activiteit. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de in bijlage III van de M.e.r.-richtlijn genoemde omstandigheden. Het college heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten dat het maken van een MER niet noodzakelijk is. Gelet hierop kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten.

Uitspraak
Het beroep is gegrond, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.