ECLI:NL:RVS:2013:BZ0797

Betreft Trac├ębesluit N31
Datum uitspraak 06-02-2013
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden trac├ębesluit, provinciale wegen, alternatievenonderzoek, passende beoordeling, Natura 2000-gebieden, Crisis- en herstelwet (Chw), relativiteitsvereiste
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201209844/1/R4

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • De vaststelling van een tracébesluit vraagt een belangenafweging, waarbij, naast ruimtelijke belangen, ook politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. Bij deze afweging, waarbij ook de voor- en nadelen van alternatieven dienen te worden betrokken, heeft de minister beleidsvrijheid. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De rechter kan slechts concluderen dat de door de minister te maken belangenafweging in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, Awb. Dit leidt alleen tot slagen van de beroepsgrond wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat de minister niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Zie ook bijvoorbeeld zaaknr. 201103533/1/R4.
  • Om de rechtmatigheid van de keuze van de Minister voor de in het tracébesluit voorziene wijziging van de bestaande weginfrastructuur aan te tasten, is onvoldoende dat wordt gewezen op andere mogelijk aanvaardbare oplossingen, maar moet aannemelijk worden gemaakt dat de keuze van de Minister redelijke gronden ontbeert.
  • Ondanks het feit dat een passende beoordeling ook onderdeel van een MER moet zijn, kan het relativiteitsvereiste aan appellant worden tegengeworpen ten aanzien van een passende beoordeling, ook al is appellant wel belanghebbende bij het MER.

Casus

Op 20 augustus 2012 heeft de Minister van I en M het tracébesluit “N31 Traverse Harlingen” genomen. Met het besluit worden de rijstroken van het huidige tracé over een lengte van 3 kilometer verdubbeld waarbij tevens 2 kilometer verdiept wordt aangelegd met een aquaduct onder het Van Harinxmakanaal door. Er worden aan- en afritten gesaneerd en er komt één centrale aansluiting waarop het gemeentelijke wegennet wordt aangepast. Appellanten hebben beroep aangetekend op grond van hun bedrijfseconomische belangen.

M.e.r. en alternatieven in het tracébesluit
Ten aanzien van m.e.r. voeren appellanten aan dat ten onrechte geen startnotitie is vastgesteld. Voorts betogen appellanten dat de Commissie m.e.r. om een toetsingsadvies had moeten worden gevraagd. Ook is ten onrechte geen watertoets gemaakt. Volgens appellanten zijn andere belangen niet voldoende meegewogen. Door de aanleg van een centrale ontsluiting en het afsluiten van andere op- en afritten zal meer verkeer in de woongebieden ontstaan. De Minister voert aan dat aangezien het tracébesluit op de bijlage II van de Crisis- en herstelwet (Chw) staat er geen advies van de Commissie m.e.r. hoeft worden gevraagd. De Minister stelt dat het MER wel voldoet aan de eisen van hoofdstuk 7 van de Wm. Volgens de Minister voldoet het deelrapport Water van het MER als watertoets. De Minister voert aan dat de wijziging van het tracé zal leiden tot een hogere verkeersveiligheid en minder verkeersbewegingen. Voorstellen van appellanten leiden tot te hoge kosten en niet minder verkeersbewegingen.

Passende beoordeling
Appellanten voeren aan dat ten onrechte geen passende beoordeling is gemaakt. De Minister betoogt dat appellanten niet belanghebbend zijn voor het aspect natuur. Ook staat art. 1.9 van de Crisis- en herstelwet (het relativiteitsvereiste) in de weg aan de grond van appellanten.

Overwegingen van de bestuursrechter
Ad m.e.r. en alternatieven in het tracébesluit
Startnotitie

De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat op grond van de bijzondere m.e.r.-regeling zoals die in artikel 2a Tracéwet (oud) stond, hoofdstuk 2 van de Tracéwet (waarin de procedure ten aanzien van de trajectnota en de standpuntbepaling van de minister zijn voorgeschreven) alleen van toepassing is op de aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg. Omdat het betreffende/onderhavige tracébesluit ziet op een wijziging van een hoofdweg die onder een ander artikellid van de Tracéwet valt, was hoofdstuk 2 van de Tracéwet niet van toepassing en behoefde geen startnotitie te worden opgesteld.

Artikel 1.11 Chw
Omdat het project op bijlage II van de Chw staat, geldt het ‘normale’ vereiste dat advies wordt ingewonnen van de Commissie voor de m.e.r. (op grond van de algemene regel in artikel 7.32, vijfde lid, Wm) niet voor het tracébesluit.

Kennisgeving voornemen
De Afdeling overweegt ook dat van het voornemen een MER te maken, een kennisgeving is gepubliceerd. Tevens is het MER ter inzage gelegd en heeft een ieder tijdens de ter inzage legging zienswijzen kunnen indienen. Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

Alternatieven
De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van een tracébesluit een belangenafweging vergt, waarbij, naast ruimtelijke belangen, ook politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. Bij deze afweging, waarbij ook de voor- en nadelen van alternatieven dienen te worden betrokken, heeft de minister beleidsvrijheid. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De rechter kan slechts concluderen dat de door de minister te maken belangenafweging in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat de minister niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.
Ten aanzien van het alternatief van appellanten (waarbij de aansluitingen aan weerzijden van de N31 worden behouden) overweegt de Afdeling dat de Minister op goede gronden tot haar keuze heeft kunnen komen. Om de rechtmatigheid van de keuze van de minister voor de in het tracébesluit voorziene wijziging van de bestaande weginfrastructuur aan te tasten, is onvoldoende dat wordt gewezen op andere mogelijk aanvaardbare oplossingen, maar moet aannemelijk worden gemaakt dat de keuze van de minister redelijke gronden ontbeert. In aanmerking genomen de weerlegging van de minister op dit punt, ziet de Afdeling in hetgeen appellanten daarover hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar alternatieven. De Afdeling acht op grond van het door de minister gestelde en de in de toelichting bij het tracébesluit opgenomen verkeersgetallen aannemelijk dat de in het tracébesluit voorziene verbreding en verdieping van de N31 en de aanleg van een centrale aansluiting ook op de langere termijn het functioneren van het weggennet op het traject en het onderliggende wegennetwerk verbetert. De minister heeft de infrastructurele maatregelen ter vermindering van de verkeerscongestie op de N31 en de gevolgen daarvan voor onder meer de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en de kwaliteit van de leefomgeving, in redelijkheid nodig kunnen achten. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de minister ten aanzien van de belasting van de wegen en de invloed op de omgeving een onredelijke afweging heeft gemaakt.

Passende beoordeling
De Afdeling overweegt dat de bestuursrechter een besluit dat in strijd is met een rechtsregel op grond van art. 1.9 Chw niet kan vernietigen wanneer deze regel niet strekt tot de bescherming van de rechten van appellant. In de uitspraak van 13 juli 2011, zaaknr. 201008514/1/M3 heeft de Afdeling al geconcludeerd dat de bepalingen van de Nbw 1998 met name tot doel hebben om het algemene belang van natuur en landschap te beschermen. Wel kunnen de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven zijn met de algemene belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen, dat hen het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de Afdeling strekken de ingeroepen normen van de Nbw 1998 kennelijk niet tot bescherming van de bedrijfseconomische belangen van appellanten en anderen bij het behoud van een aansluiting op de N31. Nu de Almenumerweg niet in de onmiddellijke nabijheid van het Natura 2000-gebied of de EHS ligt, bestaat ook geen duidelijke verwevenheid van de individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe omgeving met de algemene belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen. Gelet op het bepaalde in artikel 1.9 van de Chw, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan hetgeen appellanten over de passende beoordeling of de invloed op het Natura 2000-gebied en de EHS hebben aangevoerd reeds hierom niet tot vernietiging van de bestreden besluiten leiden.

Uitspraak
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.