ECLI:NL:RVS:2021:639

Betreft Bestemmingsplan Tiny Houses Delft
Datum uitspraak 24-03-2021
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden stedelijke ontwikkeling, Crisis- en herstelwet (Chw), ontvankelijkheid, Delft

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Belanghebbenden die bezwaar hebben tegen een milieueffectrapport over een ruimtelijke ontwikkeling, moeten dit kenbaar maken bij het eerste ruimtelijke besluit over die ontwikkeling.
  • Belanghebbenden zijn ontvankelijk in het beroep tegen het eerste ruimtelijke besluit, ook al hebben zij geen belang bij dát besluit, maar wel bij de in het milieueffectrapport onderzochte ontwikkeling.
  • Als een bestemmingsplan niet samenhangt met de in het milieueffectrapport onderzochte stedelijk ontwikkelingsproject, is geen sprake van één samenhangende activiteit en is het bestemmingsplan niet het eerste ruimtelijke besluit dat in die ontwikkeling voorziet.

Casus

Op 11 juli 2019 heeft de raad van de gemeente Delft het bestemmingsplan "Tiny Houses" vastgesteld. Het plan biedt de mogelijkheid om tijdelijk 40 tiny houses te realiseren aan de Vulcanusweg 295-305 te Delft. Het plangebied heeft een gemengde bestemming voor een periode van 10 jaar voor woon- en andere functies. Het plan dient ertoe om een experimentele vorm van wonen te benutten voor het vergaren van kennis die relevant kan zijn voor toekomstige woonvormen. Het plangebied omvat ongeveer een honderdste deel van het bedrijventerrein Schieoevers Noord te Delft. De gemeente wil dat bestaande bedrijventerrein geleidelijk transformeren tot een levendig gemengd stedelijk gebied. Daartoe heeft zij beleidsregels en spelregels vastgesteld in het Ontwikkelplan Schieoevers Noord Delft van 11 juli 2019 en het Spelregelkader Schieoevers Noord Delft van 25 juli 2019. Twee buurtverenigingen en een aan aantal bedrijven die gevestigd zijn op het bedrijventerrein Schieoevers Noord kunnen zich niet verenigen met beoogde transformatie en de inhoud van het milieueffectrapport "Schieoevers Noord te Delft" van 25 juli 2019 . Zij hebben geen inhoudelijke bezwaren tegen het bestemmingsplan.

Overwegingen van de bestuursrechter
De Afdeling stelt vast dat de raad het voorliggende bestemmingsplan heeft aangemerkt als het eerste ruimtelijke besluit dat ziet op de m.e.r.-plichtige activiteit waarvoor het milieueffectrapport is opgesteld.
Onder verwijzing naar de tussenuitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5118, overweegt de Afdeling dat beroepsgronden omtrent het milieueffectrapport naar voren dienen te worden gebracht in een procedure over het eerste ruimtelijke besluit dat ziet op de m.e.r.-plichtige activiteit waarvoor het rapport is opgesteld Verder overweegt de Afdeling dat het onderzoeksgebied van het milieueffectrapport in de directe nabijheid is gelegen van de in de statuten van de verenigingen omschreven gebieden. Ook is niet uitgesloten dat de bewoners van die gebieden ruimtelijke gevolgen kunnen ondervinden van de transformatie van Schieoevers Noord.
Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de verenigingen als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb moeten worden aangemerkt bij het besluit tot vaststelling van het plan. Vanwege het relativiteitsvereiste worden de beroepsgronden van de verenigingen tegen het bestemmingsplan niet inhoudelijk besproken. De bedrijven hebben bevestigd dat zij geen bezwaren hebben tegen het bestemmingsplan, maar hier alleen tegen opgekomen zijn, omdat het het eerste ruimtelijke besluit is dat voorziet in de transformatie van Schieovers Noord.
Partijen en de Afdeling zijn het er over eens dat het bestemmingsplan op zichzelf niet ziet op een stedelijk ontwikkelingsproject is in de zin van het Besluit m.e.r. Over de vraag of het bestemmingsplan aan te merken is als het eerste ruimtelijke besluit, onderzoekt de Afdeling in hoeverre er samenhang is tussen de in het plan voorziene tijdelijke tiny houses en de in het milieueffectrapport onderzochte transformatie. De Afdeling overweegt het volgende:

  • In het milieueffectrapport zijn de tiny houses slechts op één plaats vermeld.
  • Het milieueffectrapport is later aangevuld omdat het plan voor de tiny houses als eerste ruimtelijke besluit is aangemerkt.
  • Niet gebleken is van gelijke ruimtelijke overwegingen voor de tiny houses als voor de transformatie, of van gemeenschappelijke voorzieningen en/of afhankelijkheid van de tiny houses van de met de transformatie van een bedrijventerrein naar een gemengd woon- en werkgebied.
  • Het plan voor de tiny houses bevat geen kader waaraan toekomstige ruimtelijke besluiten voor de beoogde transformatie in het gebied Schieoevers Noord kunnen worden getoetst.
  • Ook van een projectmatige ontwikkeling en/of een fysieke samenhang is de Afdeling niet gebleken.
  • Voorafgaand aan de vaststelling van het plan en het milieueffectrapport heeft de gemeente al omgevingsvergunningen voor tiny houses verleend. De Afdeling maakt daaruit op dat de gemeente de tiny houses kennelijk niet ziet als onderdeel van de transformatie van Schieoevers Noord, maar als een op zich zelf staande ontwikkeling.
  • De tiny houses zijn slechts een tijdelijke ontwikkeling waarna de bestemming bedrijventerrein herleeft.
De Afdeling oordeelt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de activiteiten die het plan mogelijk maakt moeten worden beschouwd als activiteiten die zodanig samenhangen met de door de raad beoogde transformatie van Schieoevers Noord, dat er voor de toepassing van het Besluit milieueffectrapportage moet worden gesproken van één activiteit. Dat het gebied waar de tiny houses staan, behoort tot het onderzoeksgebied van het milieueffectrapport, maakt niet dat de tiny houses reeds daarom onderdeel zouden zijn van het stedelijk ontwikkelingsproject en het plan daarom als eerste ruimtelijk besluit in het gebied moet worden gezien. De Afdeling concludeert dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het voorliggende plan moet worden aangemerkt als het eerste ruimtelijke besluit dat voorziet in een deel van de m.e.r-plichtige activiteit. Nu verder geen sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit, kan het milieueffectrapport als zodanig en hetgeen hierover in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is bepaald niet aan de orde komen in de procedure over het bestemmingsplan. Dit betekent dat de beroepsgronden over de transformatie van Schieoevers Noord niet inhoudelijk kunnen worden besproken. De Afdeling merkt ten overvloede op dat deze wel aan de orde kunnen worden gesteld in een procedure over een ruimtelijk besluit dat wel voorziet in (een deel van) de m.e.r.-plichtige activiteit transformatie Schieoevers Noord.

Uitspraak
De Afdeling verklaart de beroepen ongegrond.