859. A12 Utrecht - Veenendaal

Het gaat om een verbetering (eventuele verbreding) van de A12 tussen Utrecht en Veenendaal.     

Procedure en adviezen

Richtlijnen
07-02-1997 Datum kennisgeving
07-02-1997 Ter inzage legging van de informatie
01-05-1997 Advies uitgebracht
Advies voor richtlijnen
Toetsing
05-10-2000 Aanvraag toetsingsadvies bij de Commissie m.e.r.
06-10-2000 Kennisgeving MER
06-10-2000 Ter inzage legging MER
30-01-2001 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsingsadvies

Opmerkingen bij de advisering

Gelet op de complexiteit van het te nemen besluit, beveelt de Commissie een werkwijze aan voor de ontwikkeling, selectie en rangschikking van hoofd- en lokale alternatieven. Deze gaat uit van criteria voortkomend uit bestaand beleid en regelgeving t.a.v. verkeer & vervoer, RO, leefmilieu, ecologie en duurzaamheid. Aangevuld met criteria die uit gestelde verkeer- en milieudoelen voortvloeien, resp. vervoer-, technische-, leefmilieu- en ecologische criteria. De Commissie geeft expliciete aandachtspunten voor het afleiden van deze criteria. Verder wordt gewezen op het belang van afzetten van te verwachten effecten tegen een strategische langetermijnvisie voor het verkeers- en vervoerbeleid. Wat betreft effecten op natuur is vooral beïnvloeding van grondwaterstromen bij dit voornemen van belang. De Commissie geeft in haar advies een gedetailleerde beschrijving van de complexiteit van de grondwatersituatie in het gebied. Ook doorsnijdt de huidige weg al belangrijke natuurgebieden. Het MER moet zich daarom niet alleen op voorkomen van verdere versnippering richten, maar ook op oplossen van bestaande problemen.  

De Commissie wijst op het belang om in het MER aan de hand van gestelde criteria (zie eerste punt) een globale beoordeling te geven van alle alternatieven die tot nu toe in beeld zijn geweest, d.w.z. inclusief de alternatieven die in de verkenningsfase zijn afgevallen.

De startnotitie geeft aan dat voordat tunnels in beeld komen, eerst bezien wordt of problemen met omleidingen opgelost kunnen worden. De Commissie stelt dat beide oplossingen gelijkwaardig afgewogen moeten worden.

De Commissie raadt aan het mma eerst te ontwikkelen op grond van landelijke doel stellingen; vervolgens na te gaan of deze leidt tot belangrijke lokale pro ble men die niet te mitigeren zijn en, indien dit het geval is, een zgn. ‘lo kaal mma’ te ontwikkelen. Dit kan dan vergeleken worden met het ‘lan delijke mma’.

De richtlijnen nemen het advies integraal over, met uitzondering van het advies over het mma. De richtlijnen vragen niet om de ontwikkeling van eventuele ‘lokale mma’s’, maar alleen om het ontwikkelen van een mma op grond van landelijke doelstellingen (waarbij uiteraard lokale ef fec ten wel zoveel mogelijk gemitigeerd worden).

In het toetsingsadvies wordt het MER zeer gunstig beoordeeld: o.a. goede kwaliteit, leesbaar, toegankelijk. Het MER geeft een goede onderbouwing van alle te maken keuzen. Slechts op enkele punten plaatst de Commissie kritische kanttekeningen. Daarbij gaat het o.a. om geohydrologische informatie (aanvullend onderzoek is nodig bij specifieke locaties met een complexe grondwatersituatie), het verschaffen van meer inzicht in de wijze waarop de uitkomsten van het belevingsonderzoek in de eindresultaten zijn betrokken, en aandacht voor de ontwikkelingen bij het spoor. In het MER voor de weg wordt in alle gevallen van ongelijkvloerse kruisingen met het spoor uitgegaan. In het MER voor het spoor wordt de mogelijkheid opengelaten deze (deels) gelijkvloers te laten. Kritisch is de Commissie over de uitgevoerde kosten-batenanalyse. Deze bevat een aantal gebreken en onduidelijkheden. De Commissie raadt aan deze te verbeteren, alvorens de resultaten te gebruiken.

 

Het OTB zal naar verwachting pas in de loop van 2003 worden vastgesteld. De reden hiervoor is dat er in het geen «standaard»-OTB wordt. In het standpunt is een groot aantal extra’s aangekondigd waarvoor extra tijd nodig is (zoals bestuurlijke onderhandelingen met de regio, nieuwe prognoses op basis van nieuw verkeers- en vervoersbeleid en sociaal-economische scenario’s, onderzoek naar en ontwerp van de vormgeving van de aansluitingen, maatregelen behorend bij de zogenaamde basiskwaliteit betreffende weg én spoor, de inpassing van de A12 en vormgeving van kunstwerken en geluidsschermen naar aanleiding van de architectuurnota, de berekening van luchtkwaliteit op basis van actuele uitgangspunten, nadere overweging van toepassing van stille wegdekken).

 

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. prof.dr.ir. J.F. Agema
dhr. drs. G.J. Baaijens
dhr. ir. H. Goossens
dhr. drs. R.J. Jonker
dhr. ir. W.H.A.M. Keijsers
dhr. ir. J. Termorshuizen

Voorzitter: mw. drs. L. van Rijn-Vellekoop
Werkgroepsecretaris: dhr. drs. R.A.A. Verheem

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Rijkswaterstaat

Bevoegd gezag
Rijkswaterstaat
Ministerie van Volkhv., R.O. en Milieubeheer

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Utrecht


Categorie├źn Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
C01.4 tot 1-4-2011: Verbreding hoofdweg of ombouw tot autosnelweg

Bijgewerkt op: 10 jul 2018