Thema Natuur

Beleid en regelgeving

Programmatische Aanpak Stikstof

Het doel van het Programma Aanpak Stikstof is ruimte bieden voor economische ontwikkelingen en verslechtering van de natuur voorkomen. Stikstofdepositie als gevolg van veehouderij, verkeer en industrie speelt hierin een centrale rol. In de meeste natuurgebieden moet deze omlaag. De verslechterde natuursituatie zorgde voor een impasse: zonder natuurherstel en vermindering van stikstofdepositie ontbreekt economische ontwikkelingsruimte. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) biedt hiervoor een aanpak.

 

Advies
De Commissie adviseerde op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken over de inhoud van het PAS. De Commissie was eerder van mening dat het milieueffectrapport voor het PAS te optimistisch is over het positieve effect van in het PAS opgenomen herstelmaatregelen voor natuur. Het aangepast rapport beschrijft voor de eerste PAS-periode (zes jaar) een procesaanpak van intensieve monitoring, onderzoek en evaluatie om te controleren of maatregelen voldoende effectief zijn. De maatregelen ‘achter de hand’ worden de komende drie jaar uitgewerkt, zodat ze klaar zijn om ingezet te kunnen worden bij het eerste evaluatiemoment in 2017.

 

Resultaat
De minister zei de adviezen verder uit te zullen werken. Voorzitter Kees Linse: ‘Een goed monitoringprogramma voor luchtkwaliteit en natuurherstel is essentieel zodat tijdig bijgestuurd kan worden bij tegenvallers. De beschikbare ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen is namelijk afhankelijk van het daadwerkelijk optreden van natuurherstel.’ De Commissie vindt dat met de beschreven procesaanpak onzekerheden in effecten kunnen worden opgevangen en er daardoor een goede basis ligt om een goed onderbouwd besluit over de PAS te kunnen nemen.

 

Wetswijziging Artikel 19kd Natuurbeschermingswet

Op 25 april 2013 trad een wijziging van artikel 19kd Natuurbeschermingswet 1998 in werking. Vanwege de interpretatieruimte die het gewijzigde artikel biedt, vroeg de Commissie aan de betrokken bewindspersonen om een nadere interpretatie van het artikel. De staatssecretaris van EZ heeft de vragen in een brief beantwoord.

 

De staatssecretaris geeft aan dat:

  • Er inhoudelijk niks verandert ten opzichte van de situatie zonder gewijzigd artikel 19kd, maar dat met de wetswijziging plansaldering formeel is geregeld.
  • De plantoets in lijn met de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden uitgevoerd.

 

Advieslijn
De Commissie volgt in haar advisering de uitleg van de staatsecretaris. Dit betekent dat wij voor de effectbeoordeling van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als referentiesituatie uitgaan van de huidige feitelijke -legale- situatie.

 

Relevante passages uit de brief van de staatssecretaris

  • Voor de plantoets is de huidige, feitelijke - legale - situatie het referentiekader.
  • Niet-benutte bouw- en gebruiksmogelijkheden die in een nieuw bestemmingsplan opnieuw worden bestemd en die kunnen leiden tot ontwikkelingen met mogelijk significante gevolgen, moeten voorafgaand aan de vaststelling van dat plan passend beoordeeld worden, tenzij zij eerder passend zijn beoordeeld en die Passende beoordeling nog actueel is.
  • Als de in een plan voorziene activiteiten niet, of per saldo niet leiden tot een toename van de stikstofdepositie, dan is er voor het element stikstof geen passende beoordeling noodzakelijk. Saldering tussen de verschillende planonderdelen is mogelijk, mits zeker is dat het plan in zijn geheel geen significante gevolgen kan hebben.


Brief van de Commissie m.e.r.

Bijlage

 

Natuurbeschermingswet 1998

De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet implementeert het gebiedsbeschermingsregime van de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Op basis van deze wet worden onder andere de volgende gebieden beschermd:
- Beschermde natuurmonumenten (art. 16 e.v.)
- Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 19a e.v.)

 

Habitattoets
Met de Habitattoets wordt beoordeeld wat de mogelijke gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen zijn. De Habitattoets bestaat maximaal uit drie fasen:

1) Oriëntatiefase: In deze fase wordt bepaald of er sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Als er geen sprake zal zijn van nadelige gevolgen, ben je gelijk klaar. Als er wel sprake is van nadelige gevolgen, moet beoordeeld worden of die nadelige gevolgen significant kunnen zijn. Indien significante gevolgen al in de oriëntatiefase kunnen worden uitgesloten, dan moet alleen nog een Verslechterings- en Verstoringstoets worden uitgevoerd.

2) Passende beoordeling: In een Passende beoordeling wordt op basis van onderzoek uitgezocht of met zekerheid kan worden gesteld dat er geen aantasting van natuurlijke kenmerken optreedt. Indien die zekerheid niet kan worden verschaft, dus ook bij twijfel hierover, gaat men door naar de derde fase. Indien met zekerheid gesteld kan worden dat er geen aantasting van natuurlijke kenmerken zal optreden, zal de Verslechterings- en Verstoringstoets moeten worden uitgevoerd.

3) ADC-fase: Hierin worden maximaal drie vragen beantwoord:

  • Zijn er alternatieven die geen of minder schade toebrengen aan een Natura 2000-gebied?
  • Zijn er dwingende redenen van groot openbaar belang?
  • Als er geen alternatieven zijn, maar wel dwingende redenen van groot openbaar belang, dan moet men compenseren.

 

Cumulatie
Bij de beoordeling van fase 1 en 2 moeten ook andere projecten of handelingen betrokken worden die mogelijk gevolgen hebben op dezelfde soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied.

 

Europese Vogel- en Habitatrichtlijn

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zorgen voor gebieds- en soortenbescherming in Europa. In Nederland zijn beide richtlijnen geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en in de Flora- en faunawet.

De Vogelrichtlijn beschermt alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten in Europa.
De Habitatrichtlijn beschermt natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in Europa.

 

Gebiedsbescherming
Voor de vogels die genoemd worden in bijlage I van de Vogelrichtlijn zijn ‘speciale beschermingszones’ aangewezen. Op grond van de Habitatrichtlijn worden gebieden aangewezen als speciale beschermingszones als deze belangrijk zijn voor de natuurlijke habitats van bijlage I en/of de inheemse soorten van bijlage II.
Vogelrichtlijngebieden worden direct aangewezen. Habitatrichtlijngebieden worden door landen aangemeld bij de Europese Commissie. De Europese Commissie plaatst deze op een communautaire lijst en vervolgens wijst de lidstaat de gebieden aan.
De speciale beschermingszones moeten uiteindelijk een coherent Europees ecologisch netwerk vormen: Natura 2000. De speciale beschermingszones worden dan ook Natura 2000-gebieden genoemd.
Voor de Natura 2000-gebieden geldt het beschermingsregime zoals dat is opgenomen in art. 6 van de Habitatrichtlijn.

 

Soortenbescherming
Beide richtlijnen beschermen naast gebieden ook soorten. Voor de natuurlijk in het wild levende vogelsoorten en voor de dier- en plantensoorten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn gelden verbodsbepalingen. Zo mag je deze vogels of diersoorten niet doden, vangen of opzettelijk hun nesten vernielen. De planten mogen bijvoorbeeld niet opzettelijk worden geplukt.

Er zijn uitzonderingen. Als door een activiteit een verbodsbepaling wordt overtreden is dit toch toegestaan als er geen andere goede oplossing bestaat en de populatie in gunstige staat van instandhouding blijft. Bijvoorbeeld als de handeling in het belang van de openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna wordt uitgevoerd.

 

Flora- en faunawet

De bescherming van planten- en diersoorten is geregeld in de Flora- en faunawet. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn de verbodsbepalingen in art. 8-13 en de ontheffingsmogelijkheid in art. 75 het meest relevant.

Deze wet implementeert het soortenbeschermingsregime van de Vogel- en Habitatrichtlijn.

 

Natuurbescherming op de Noordzee

Binnen de 12-mijlszone
De Natuurbeschermingwet 1998 (Nb-wet) en de Flora- en faunawet (Ffw) zijn van toepassing op het vaste land en binnen de 12-mijlszone van de Noordzee. Dat betekent de volgende natuurbescherming op de Noordzee:

  • Soortenbescherming in de gehele 12-mijlszone, voor soorten zoals dolfijn, bruinvis, grijze zeehond en een groot aantal vogelsoorten.
  • Gebiedsbescherming in Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone en Voordelta die beide in de 12-mijlszone zijn gelegen. 

 

Het ministerie van EZ heeft twee gebieden binnen de 12-mijlszone aangemeld bij de Europese Commissie:

  • De uitgebreide Noordzeekustzone.
  • De Vlakte van Raan in de monding van de Westerschelde.

Zodra deze gebieden op de communautaire lijst van de Europese Commissie zijn geplaatst, geldt het beschermingsregime van de Nb-wet en kunnen de gebieden nationaal worden aangewezen. Zolang de gebieden alleen nog maar zijn aangemeld, en dus nog niet op de communautaire lijst staan, geldt dat voorkomen moet worden dat activiteiten het beoogde resultaat van de Vogel- en Habitatrichtlijn ernstig in gevaar brengen.

 

In de exclusieve economische zone (EEZ)
Bescherming van natuurwaarden op de Noordzee buiten de 12-mijlszone, in de zogenaamde exclusieve economische zone, vindt nu plaats via het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 (IBN 2015). Het IBN 2015 wordt als toetsingskader gebruikt bij het verlenen van vergunningen op grond van onder andere de Waterwet, de Mijnbouwwet en de Wet milieubeheer.

 

Natuurbescherming Noordzee in de toekomst

Het ministerie van EZ wil de toepassing van de Nb-wet en de Ffw uitbreiden naar de exclusieve economische zone (EEZ). Hiervoor is een wetswijziging nodig. Zodra de wet is gewijzigd geldt de Ffw binnen de hele EEZ. De Nb-wet zal dan van toepassing zijn op de volgende Natura 2000-gebieden die in de EEZ worden aangewezen:

  • Doggersbank (Habitatrichtlijngebied)
  • Klaverbank (Habitatrichtlijngebied)
  • Friese Front (Vogelrichtlijngebied)

Eind december 2008 zijn de Habitatrichtlijngebieden aangemeld bij de Europese Commissie. Daarna kunnen zij nationaal worden aangewezen. De Vogelrichtlijngebieden kunnen direct aangewezen worden zodra het wetsvoorstel in werking is getreden.

Voor bestaande activiteiten op de Noordzee, die een vergunning hebben op basis van het Integraal Beheerplan Noordzee 2015, verandert er in principe niets door de wijziging van de Nb-wet en de Ffw. In het wetsvoorstel is namelijk een artikel opgenomen dat deze bestaande activiteiten zijn uitgezonderd van de vergunningplicht van art. 19d Nb-wet.