823. Ganulaatscheiding op stortplaats Nauernasche Polder Zaanstad

Bij de uitbreiding van de stortplaats Nauernasche Polder1 is het aan Afvalzorg Noord-Holland vergund om 75 kton granulaire afvalstoffen per jaar te bewerken met een fractieschei dings in stallatie. Deze fractiescheidingsinstallatie is echter niet gebouwd ten tijde van de start van deze m.e.r.-procedure. Het voornemen behelst fractiescheiding met een grotere capaciteit: 330 kton/jaar. De installatie moet granulaire (= korrelvormige) afvalstoffen scheiden in een verontreinigde fractie en een schonere fractie ten behoeve van nuttige toepassing als secundaire grondstof. Met granulair materiaal wordt bedoeld: verontreinigde grond, zeef-, sorteer- en breekzand, baggerspecie, riool-, kolken- en gemalenslib, veegafval, dakgrind en ballastgrind.    1 Zie project 544.   

Procedure en adviezen

Richtlijnen
19-09-1996 Datum kennisgeving
19-09-1996 Ter inzage legging van de informatie
08-11-1996 Advies uitgebracht
Advies voor richtlijnen
Toetsing
23-07-1999 Aanvraag toetsingsadvies bij de Commissie m.e.r.
29-07-1999 Kennisgeving MER
29-07-1999 Ter inzage legging MER
24-09-1999 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsingsadvies

Opmerkingen bij de advisering

De startnotitie gaf aan, dat de installatie weinig zal afwijken van een installatie waarvoor al een MER is opgesteld en getoetst: het MER Theo Pouw1. Afvalzorg Noord-Holland had om deze reden overwogen om ontheffing van de m.e.r.-plicht aan te vragen, maar koos uiteindelijk toch voor het doorlopen van m.e.r. 

De startnotitie bevat ook al informatie die in het MER zou kunnen worden opgenomen, en geeft aan waar het MER dieper op in zal gaan.

In verband met deze aanpak, en omdat het geen al te complex project was, is de Commissie in haar richtlijnenadvies alleen ingegaan op die aspecten waar de startnotitie naar haar mening te weinig aandacht aan had geschonken. Zij vraagt vooral aandacht voor

● de verschillen en overeenkomsten tussen de vergunde installaties en de daadwerkelijk gebouwde installaties en zo een beter beeld te geven van de ‘bestaande toestand’;

● controle of de gegevens, die men aan het MER van Theo Pouw wil ontlenen, geactualiseerd kunnen worden en toepasbaar zijn in de situatie op de stortplaats Nauerna;

● de mogelijkheden om afgescheiden fracties uit het granulaatscheidingsproces als secundaire grondstof af te zetten.

De richtlijnen weken niet af van het richtlijnenadvies.

Bij de toetsing constateert de Commissie dat het MER van goede kwaliteit is, alle essentiële informatie bevat en doet zij vier aanbevelingen voor verdere besluitvorming:

● het meest milieuvriendelijk alternatief (mma) scoort over alle aspecten gerekend slechter dan het voorkeursalternatief; het ‘mma’ kan daarom beter als ‘gewoon’ alternatief bij de besluitvorming worden afgewogen;

● over de acceptatie van afvalstromen voor de multifunctionele installatie is het MER op enkele punten onduidelijk; het is aan te raden deze punten bij vergunningverlening te regelen;

● dit geldt ook voor het te voeren mengbeleid; met name of relatief sterker verontreinigde stromen mogen worden samengevoegd met minder verontreinigde stromen; indien menging mogelijk is raadt de Commissie aan in het evaluatieprogamma op te nemen hoe het mengen de kwaliteit van producten en emissies beïnvloedt;

● het is niet duidelijk in hoeverre het MER rekening heeft gehouden met piekbelastingen; de Commissie raadt aan hiervoor bij vergunningverlening voorschriften op te nemen en meting van (piek)geluidsemissies in het evaluatieprogramma op te nemen.

 

Naar aanleiding van de ontwerp-vergunning ingevolge de Wet milieubeheer bracht Heidemij Realisatie twee bedenkingen naar voren:

  • Het zou (in tegenstelling tot de ontwerp-vergunning) niet moeten worden toegestaan om afvalpartijen te mengen;
  • De acceptatiegrenzen zijn gebaseerd op de aanname dat 95% van het materiaal reinigbaar is. Deze veronderstelling is onvoldoende onderbouwd.
 

1 Project 665. 

 

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. ir. J.H.J. van der Gun
dhr. drs. J.L.P.M. van der Pluijm

Voorzitter: dhr. mr. J.W. Kroon
Werkgroepsecretaris: dhr. drs. M. Odijk

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
N.V. Afvalzorg Noord-Holland

Bevoegd gezag
Noord-Holland
Rijkswaterstaat

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Noord-Holland


Categorie├źn Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
C18.4 tot 1-4-2011: Niet-gevaarlijk afval: verbranden of chemisch behandelen van >= 100ton per dag

Bijgewerkt op: 31 aug 2007